Een trouwe, naïeve verpleger

Hij behoort tot het soort mannen dat met een spons, een washandje, een flesje frisdrank en een trui aan de finish op zijn renners staat te wachten. Zodra een van die renners over de eindstreep rolt, valt hij onvermijdelijk in de armen van dat soort mannen. Terwijl de renner over zijn stuur hangt, snakkend naar adem, schrapend naar spuug en zoekend naar woorden om in een tv-camera te hoesten, vegen die mannen als een verpleger het snot uit zijn ogen.

Mannen als Willy Voet zijn op de wereld om anderen te verzorgen. Verzorger worden ze genoemd. Ze zijn er trots op dat ze 's morgens in alle vroegte broodjes met banaan smeren en flesjes met energiedrank mogen vullen. Ze knijpen graag in de spieren van hun renners en luisteren naar hun klaagliederen. Ze willen graag dat hun renners winnen, maar nog liever willen ze dat zij gezond blijven.

Wanneer een renner zwak, ziek of misselijk is, kan de verzorger niet slapen. Dan zoekt hij naar allerhande middelen om hem weer op te lappen. Een extra vitamientje, een extra pilletje ijzer of een infuusje suikers en eiwitten, maar vooral een opbeurend woordje. Een verzorger is tot alles bereid om de renner in het bijzonder en de mens in het algemeen te helpen. Zonder verzorgers zijn er geen renners. Zonder hen wint geen renner de Tour of de Giro.

Mannen als Voet zijn onmisbaar. Fausto Coppi had zijn blinde verzorger Biagio Cavanna, Eddy Merckx had Guillaume Michiels, Didi Thurau had Ruud Bakker, Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse hadden Bertus Fok en Sean Kelly had Willy Voet, net als Richard Virenque. Mannen in wie de renners een blind vertrouwen hadden. Totdat de band werd verbroken – meestal door een verkeerde medicatie.

Aimabele mensen waren die mannen. Mysterieus, omdat bijna niemand wist wat ze uitspookten, omdat iedereen dacht dat ze iets brouwden wat niet pluis was. Voet was aardig. Hij zei mij als wielerjournalist gedag, hij vroeg naar mijn gezondheid. Hij gaf me een pilletje wanneer ik me niet lekker voelde. Hij toonde zich betrokken. Hij vertelde over Kelly, Virenque en anderen alsof het zijn kinderen waren. Willy was vader en welzijnswerker, zoals alle verzorgers.

Voet heeft een boekje open gedaan. Ten einde raad vertelt hij wat hij aan praktijken heeft verricht om renners in het zadel te houden, niet eens om ze te laten winnen. Voet heeft in de cel gezeten omdat hij werd gevangen met een vracht middelen in zijn auto die renners nodig hebben om hun beroep uit te kunnen oefenen. Hij heeft nagedacht over wat hij heeft gedaan om renners te dienen. Middelen die gewone mensen niet krijgen, heeft hij aan renners gegeven om ze te helpen. Hij had het nooit moeten doen, weet hij nu.

Voet spreekt de waarheid. Wat hij zegt over middelen als spuiten en slikken, over hormonen en over bloed- en urinetransfusies mag dan niet nieuw zijn, het is een doorbraak. Na ruim dertig jaar praktijkervaring is tot hem doorgedrongen dat hij naïef en te plichtsgetrouw is geweest. Niet iedereen is het waard om geholpen te worden. Zeker niet wielrenners die ontkennen dat ze zich hebben bediend van de middelen waarover Voet rept en dat ze slechts profiteren van het werk van mannen zoals hij.

Mannen als Voet hebben vooral andere mensen willen dienen. Maar nu worden zij vernederd door het immense peloton valseriken dat durft te beweren slechts op eerlijke wijze sport te bedrijven. Wanneer geven wielrenners, maar ook andere topsporters eens toe dat ze liegen en bedriegen? Zo blijft topsport een grote leugen.