Blikspuit

Het zand naast de lagere school werd in vakken verdeeld door met de schoen plat op de grond lijnen te trekken. Elk vak was ongeveer drie meter in het vierkant. Meester Ter Beke verdeelde de klas, jongens en meisjes door elkaar, in twee ploegen. De ene ploeg koos positie op de lijnen, de andere stelde zich in linie op aan de ene kant van het veld. De bedoeling van het spel was om zonder afgetikt te worden door een speler van de lijnenploeg, er werd strikt op toegezien dat deze op hun lijn bleven, aan de overkant van het veld te komen. Dit ging gepaard met veel geschreeuw en schijnbewegingen. Galla heette dit spel. Het werd bij ons op school alleen door de zesde klas gespeeld.

Op het schoolplein en op straat werd destijds gehinkeld op met krijt getekende hinkelbanen, springend op een of twee benen moest je bepaalde verplichte figuren in het patroon van vakken uitvoeren, of op één voet een met zand gevuld schoensmeerblikje van vak tot vak en uiteindelijk in het laatste halfronde vak stoten.

Na schooltijd speelden wij jongens vaak Blikspuit bij het hoefijzerfabriekje van Blom. Op het terrein voor het fabriekje werd een leeg conservenblik neergezet. Daarna werd een van de jongens aangewezen die `hem was'. Dit gebeurde volgens de methode `ikke pikke porretje, de meester heeft een snorretje, de meester heeft een sik, af ben ik'. Mijn schoonzus uit Den Haag herinnerde zich: `een twee drie pof, Hitler was een mof, Hitler was een zwijn, wie zal hem zijn' (misschien zijn er lezers die zich nog andere aftelversjes herinneren), waarbij degene die het versje opzei met de wijsvinger bij iedere lettergreep naar iemand anders wees. Degene die werd aangewezen moest met zijn ogen dicht tot honderd tellen en dan nog een keer hardop tot tien en roepen `wie niet weg is wordt gezien', om de anderen in staat te stellen zich binnen een straal van 50 tot 100 meter te verstoppen. Daarna ging hij op zoek en wanneer hij iemand had gevonden moest hij luid de naam roepen en zeggen waar hij was verstopt. Soms gokte je maar wat, maar had je het dan mis, dan was je opnieuw de pineut. Degene die gevonden werd `was hem' in de volgende ronde tenzij hij, voordat hij werd afgetikt, het blik omver schopte onder het roepen van `blikspuit'. De zoeker kon zich nooit te ver van het blik verwijderen, want ook al was je niet gevonden, je mocht altijd blikspuit halen.

Een variant van dit spel heette `Opsporen'. Bij dit spel was een boom het centrale punt en waren er vaak twee zoekers. Het terrein waar men zich mocht verstoppen besloeg een groot deel van het dorp en werd bijvoorbeeld afgebakend door de Stationsweg, het kanaal, de beek en de spoorlijn. De mogelijkheden om je te verstoppen waren legio. Hooibergen, stallen, schuren en dichte struiken.

Het verstoppen was het leukst. Je zag door het dakraampje van een zolder je vriendjes een boomgaard afspeuren terwijl je zelf genoot van de gedroogde appeltjes die om je heen lagen. Het spel duurde vaak een hele middag en soms ging je naar huis om te eten zonder dat je was gevonden.