Blaas

Op Tweede Pinksterdag, om ongeveer vijf uur in de morgen, begon ik het verhaal Prostatis! van Kees van Kooten na te lezen. De kwestie was dat ik de voorafgaande nacht dezelfde verschijnselen had ervaren als Van Kooten twintig jaar geleden. De pijnlijke, druppelsgewijze productie bij het plassen, de voortdurende aandrang van het moeten, maar niet kunnen. Alsof een vurige tong in mijn kruis was neergedaald – wat aardig bleek te stroken met het karakter van deze christelijke feestdag.

Mijn hemel, bad ik, laat dit niet waar zijn. Ik kon me nog al te goed de plastische beschrijvingen herinneren die Van Kooten van de doktersbehandeling had gegeven. (,,Doet dit pijn?'' vraagt de arts, terwijl hij zijn hand een slagje in mij rond draait.) Als het op lijden aankomt, ben ik geen Job.

Hoe kwam ik bovendien op deze dag aan een goede arts? Zou ik niet verzeild raken in een Kafkaïaanse doolhof van onbereikbare waarnemers en afhouderige, centrale doktersdiensten? De lezer ziet het al aankomen: dit wordt weer zo'n klaagverhaal over de bureaucratie in Amsterdam.

Niets daarvan. Het gaat ook wel eens goed in de grote stad! Daarom vertel ik dit verhaal, en ook om mannen van middelbare leeftijd enige nuttige informatie te verschaffen.

Ik belde de verkeerde waarnemer, maar het was toch meteen raak. Hij stond in zijn huis te klussen, desondanks kon ik wel even langskomen, dat bespaarde me weer wat tijd. Een uurtje later overhandigde ik hem mijn urineflesje. Hij testte de inhoud snel en stelde nuchter vast: ,,Het is geen ontstoken prostaat, maar een blaasontsteking. Dat scheelt u een vervelend onderzoek. Met een kuurtje antibiotica bent u er weer snel bovenop.''

Ik herademde en wilde opeens van alles weten over de bijna sympathieke kwaal die blaasontsteking heet. Vrouwen zijn er gevoeliger voor dan mannen, wist ik. Jawel, zei de arts, maar mannen van middelbare leeftijd krijgen het ook vaak. De kracht van hun urinestraal neemt af, waardoor ze kwalijke bacteriën minder grondig wegspoelen. Vooral de brutale colibacterie die welig tiert in de dikke darm, slaat dan zijn slag.

,,Hoe komt die bacterie mijn penis binnen?'' vroeg ik. De onderste steen moest nu ook maar écht boven.

,,Op de eikel zitten altijd tal van colibacteriën'', zei de arts. ,,Ze kunnen op hun pootjes achterwaarts de pisbuis inklimmen.''

Ik zag het opeens helemaal voor me. Elke dag speelden de leden van de voetbalclub Kolibries een oefenpartijtje op de bolling van een roede. Het veld had een natuurlijke omgrenzing, waardoor er geen ballenjongens nodig waren, maar de middenstip was een putje waarin een bal gemakkelijk kon verdwijnen. Als dit gebeurde, klom een van de kleinere spelers aan een laddertje naar beneden. Soms verdwaalde hij. Dan werd er ergens op de wereld een man wakker met een veenbrand in zijn lendenen.