TAAL EN Q-WAARDE

Om de communicatieve waarde van een taal binnen een bepaalde constellatie te bepalen heeft De Swaan de Q-waarde ingevoerd. Deze is het product van de prevalentie (de fractie van het aantal sprekers van die taal binnen de constellatie) en de centraliteit (de fractie aan meertaligen die de betreffende taal machtig is). In formule: Q = P C.

Een voorbeeld. Stel we hebben een land met een grote diversiteit aan talen, waaronder de taal van de vroegere kolonisator. Een kleine minderheid van 3 procent is van Europese afkomst, heeft als moedertaal de koloniale taal en kent zo goed als geen inheemse talen. De grootste inheemse taal heeft 35 procent sprekers, alle andere inheemse talen zijn veel kleiner. Twintig procent van de totale bevolking spreekt een of andere tweede taal, 10 procent heeft op school de koloniale taal geleerd. Twee procent heeft de grootste inheemse taal als tweede taal geleerd. We verwaarlozen het aantal sprekers dat drie of meer talen machtig is.

In deze situatie is de prevalentie van de koloniale taal 0,13: 3 procent moedertaalsprekers plus 10 procent schoolverlaters. De prevalentie van de inheemse taal is 0,37: 35 procent moedertaalsprekers plus 2 procent van de meertaligen. Van de meertaligen spreekt de helft de koloniale taal, zodat deze een centraliteit heeft van 0,50. De centraliteit van de inheemse taal is 2/20 oftewel 0,10.

Dit alles leidt voor de koloniale taal tot een Q-waarde van 0,130,50 = 0,065. Voor de inheemse taal komt dit getal uit op 0,370,10 = 0,037. Conclusie: alhoewel de inheemse taal bijna driemaal zoveel sprekers heeft, legt zij het in communicatieve importantie af tegen de koloniale taal.