SPIJBELEN KAN NIET MEER

Scholen in Vlaanderen zijn populair bij ouders in Noord-Brabant en Limburg. Want: `Luisteren en geen grote mond, daar is niks verkeerds aan.' Èn Vlaamse scholen verstrekken warme maaltijden.

EDERLANDERS denken vaak dat je tuig van de richel bent, wanneer je in België naar school gaat. Zo van `die is in Nederland mislukt'. Maar dat is echt onzin. Je hebt gewoon meer aandacht en leiding nodig. Stiekem ben ik nog een klein kind, dat aan het handje moet worden gehouden en dan heb je ouderwetse regels nodig. Toen ik zestien was en hier op school kwam, stond ik eens op straat te roken. Ik kreeg voor straf vier uur strafstudie op zaterdag. Mijn moeder had niet de mogelijkheid me die dag te brengen, waarna de straf werd omgezet naar twee woensdagmiddagen. Sindsdien rook ik niet meer tussen half negen en half vijf. Zo ben je ook nog een goed voorbeeld voor de kleine mannen op school.'

De schrik zit er flink in bij Joost Baars (18) uit het Noord-Brabantse Mierlo. Joost volgt voortgezet onderwijs aan het Stedelijk Hoger Handelsinstituut (SHH) in het Vlaamse Turnhout. ``Het is hier niet anders, niet heel anders, maar héél, héél anders dan in Nederland.''

Kiezen voor een school aan de andere kant van de Nederlands-Belgische grens, is in de zuidelijke provincies heel populair geworden, concluderen de onderzoekers van het onlangs gepresenteerde onderzoek `Is het gras aan de overkant altijd groener?', uitgevoerd door het Limburgs Universitair Centrum te Diepenbeek (B) en het SCO Kohnstamminstituut te Amsterdam. Zowel het primair als het voortgezet onderwijs in Vlaanderen, blijkt door veel Nederlandse ouders in de grensstreek beter te worden gewaardeerd dan de Nederlandse scholen.

Vlaamse scholen beschikken bijvoorbeeld over faciliteiten waarover Nederlandse scholen meestal niet of onvoldoende beschikken. Zo worden warme maaltijden verstrekt, is er voldoende en goede overblijfgelegenheid, is het fenomeen `internaat' niet elitair en derhalve betaalbaar en is ook de voor- en naschoolse opvang (de `voor- en nabewaking') in ruime mate voorhanden, veelal op de scholen zelf. Daarnaast worden de tucht en discipline op de Vlaamse scholen nogal gewaardeerd. Ouders langs de grens tussen Roosendaal en Maastricht zijn dus gaan nadenken, met als gevolg dat in totaal zo'n drieduizend kinderen naar basis- of middelbare scholen gaan aan de andere kant van de grens. De omgekeerde beweging komt veel minder vaak voor: ruim tweehonderd Belgische kinderen bezoeken Nederlandse scholen voor primair en voortgezet onderwijs.

``Spijbelaars hebben we zo te pakken'', zegt Hilde Simoens, docente Frans aan het SHH in Turnhout. Spijbelen, op veel Nederlandse scholen een groot probleem, is op Vlaamse scholen een onbekend verschijnsel. Het moet ouders als muziek in de oren klinken. Maar om potentiële spijbelaars de pas af te snijden, wordt er dan ook flink gecontroleerd: 's morgens en 's middags wordt in de klassenboeken genoteerd wie er niet is. Direct na aanvang van de les wordt het boek opgehaald en wordt een lijst met absenties in de lerarenkamer opgehangen. Docenten zien in de kleine pauze al wie er het eerste uur niet was en het derde uur wel en spreken de leerling daarop direct aan.

CAFETARIA

Ook de verleiding om na de middagpauze maar niet naar school terug te komen, bestaat niet, want leerlingen blijven op school, tenzij zij om de hoek wonen. Maar ook dan wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of zoonlief wel aan de dis is beland. Een leraar ziek? Dat is geen reden voor vrijaf. Simoens: ``In onze roosters zit twee uur per week vervanging van afwezige collega's. We hoeven dan geen les te geven, maar houden wel toezicht. Leerlingen mogen niet in het park hiernaast of in een cafetaria terecht komen. Wanneer er geen docenten meer beschikbaar zijn om toezicht te houden, dan komt er wel iemand van de administratie oppassen.''

Het is inderdaad héél, héél anders, zegt ook Jef Abbeel, docent Geschiedenis en Latijn op het naburige Sint Jozefcollege, maar daarnaast leraar aan het Onze Lieve Vrouwelyceum in Breda en dus goed in staat de verschillende schooltypes te vergelijken. Vooral de school- en onderwijsculturen verschillen hemelsbreed. Abbeel: ``Als ik in Breda net zo veel huiswerk zou opgeven als hier, zou ik een probleem hebben. In België sjouwen leerlingen met een schooltas van tien kilo voor zeven vakken per dag, in Breda lopen ze met een rugzakje van drie kilo. Bovendien dragen ze er gymschoenen, hier niet. In Turnhout kopen de leerlingen mooie en dure schriften, die ze netjes verzorgen, in Breda zijn de schriften al snel volgekrast.'' Ook de klassengrootte pakt uit in het voordeel van de Belgen: gemiddeld 27 in Breda tegen twintig op het Sint Jozef. Met 750 leerlingen is het schoolgebouw van het Sint Jozef ook nog eens drie keer zo groot als de 1100 leerlingen tellende school in Breda.

Maar niet alles is beter in België. Op de Vlaamse scholen weten de leerlingen weliswaar precies wat het verschil is tussen d,t en dt (Abbeel: ``Voor mijn leerlingen in Nederland is dat allemaal hetzelfde''), maar in Nederland wordt aantoonbaar meer aandacht besteed aan persoonlijke ontwikkeling, assertiviteit, zelfstandigheid en het aanleren van sociale vaardigheden, zo blijkt uit het onderzoek en zo is ook Abbeel opgevallen. Het studiehuis is in België onbekend. Frontaal lesgeven is de regel. Rector Leo Fagoo van het SHH ziet wel in dat de Nederlanders veel mondiger zijn, maar de gehoorzaamheidscultuur zit er bij de zuiderburen ingebakken en dat veranderen is geen sinecure. ``Het behoort tot de lescultuur alleen te antwoorden wanneer je iets wordt gevraagd, tenzij `discussie' het doel van de les is en uiteindelijk komen zowel Nederlandse als Vlaamse leerlingen toch goed terecht?'' Fagoo heeft veel Nederlandse leerlingen zien komen, maar ook veel zien vertrekken. ``Bijna allemaal hebben ze problemen met Frans en veel van hen denken de school te kunnen bekeren en naar hun hand te zetten, maar dat gaat niet door.''

De mentaliteit op de Vlaamse middelbare scholen is ook terug te vinden in het primair onderwijs. Zoals in Essen, net over de grens bij Roosendaal, waar zóveel Nederlandse kinderen de basisschool bezoeken dat er een schoolbus is ingezet. Stomverbaad was Margot van Hummel uit Roosendaal, toen haar kroost voor het eerst op schoolreisje ging. Voorzichtig had ze geïnformeerd welke moeders meegingen voor de begeleiding. Geen een. ``Mevrouw'', had de docent gezegd, ``ik ben in de klas de baas, maar ook daarbuiten.'' De docent in kwestie was verbonden aan het Erasmus Atheneum in Essen. De school biedt zowel kleuter- als basis- en voortgezet onderwijs aan en Van Hummel stuurt haar zoons Olav (16) en Thierry (9) dagelijks met de schoolbus over de grens. Ze is erg tevreden over het Vlaamse onderwijs, hoewel ze ook nadelen ziet.

``Het is heel leuk dat kinderen leren waar Luik ligt en dat Henegouwen een Belgische provincie is, maar het is ook prettig wanneer ze weten dat Leeuwarden de hoofdstad van Friesland is en dat leren ze niet'', zegt Van Hummel. ``Om kinderen goed te kunnen laten functioneren in Nederland, moeten de ouders dus bijspringen in vakken als aardrijkskunde en geschiedenis.'' Maar ook over het taalgebruik heeft ze met haar zoons afspraken gemaakt. ``Als ze uit Essen komen en de bus is de kerk van Nispen gepasseerd, mogen ze geen `camion' meer zeggen, maar wordt het `vrachtauto', geen `uitstalraam' meer, maar `etalage' en `wenen' wordt weer `huilen'.''

OPBOKSEN

Ondanks deze nadelen kunnen de dertig basisscholen in Roosendaal niet opboksen tegen de kwaliteiten van de school over de grens, meent Van Hummel. Naast het voordeel van een grotere discipline (``klinkt verschrikkelijk'', zegt Van Hummel, ``maar ze mogen heus hetzelfde als wij vroeger. Luisteren en geen grote mond, daar is niets verkeerds aan''), weet ze altijd waar haar kinderen zijn: thuis of op school, maar niet ergens daar tussen in. ``Voor Olav heb ik moeten tekenen dat hij tussen de middag op school blijft, voor Thierry had ik moeten tekenen als hij tussen de middag naar huis had willen komen. Na afloop van de lessen moeten ze een uur op de bus wachten, maar dan worden ze opgevangen.''

Ook de kleine klassen en apart kleuter- en basisonderwijs waardeert Van Hummel. ``Ik wilde niet dat mijn kinderen op de kleuterschool les zouden krijgen van iemand die misschien voor het basisonderwijs had gekozen, wat in Nederland kan gebeuren.'' Daarnaast wordt in het drietalige België op de basisschool al Frans gedoceerd en staat ook wiskunde op het rooster. ``Het basisonderwijs is in België kwalitatief gewoon beter'', zegt Van Hummel. En dat leerlingen op de Nederlandse scholen assertiever, zelfstandiger en sociaal vaardiger worden, daarvan merkt ze niets. ``Ze zijn mondiger, maar dat is niet per se hetzelfde als verstandiger.''