`Something special'

`De nacht van Wiegel' werd voorafgegaan door `de dag van mamma Harren'. Niet dat het een ook maar iets met het ander te maken heeft, helemaal niets, behalve in mijn hoofd en dat van andere mensen die dinsdag aanwezig waren bij de uitreiking van de Israelische onderscheiding Yad Vashem. Dit eerbewijs wordt toegekend aan mensen die door de nazi's vervolgde joden hebben gered. Hun naam wordt in Jeruzalem aangebracht in de `muur van eer in de tuin der rechtvaardigen' van het Holocaustmuseum. Zij krijgen een penning waarin de woorden uit de Talmoed zijn gegraveerd: `Wie een leven redt, redt de wereld.'

Er zijn van die toevallige omstandigheden waardoor de ene gebeurtenis voor altijd met een andere verknoopt blijft. Dus komt later de kabinetscrisis van 1999 nog eens ter sprake, als bijna niemand zich daar nog iets van herinnert, dan weet ik nu al dat me te binnen zal schieten: `Oja, dat was die toestand in de Eerste Kamer op de dag van mamma Harren.'

Laat ik even vertellen over wie het gaat, of nog liever het Haarlems Dagblad van dinsdag citeren. `In de oorlogsjaren ontfermde Rie Harren (83) uit Haarlem zich over de joodse baby Rob Milikowski. Vandaag krijgt ze daarvoor in Wassenaar de Yad Vashem-onderscheiding uitgereikt.' De krant bracht ter gelegenheid hiervan een interview met mevrouw Harren en de inmiddels 56-jarige onderduikbaby die de Israelische onderscheiding voor haar had aangevraagd. Het artikel over het tweetal eindigt zo: `Hij is getrouwd en heeft zelf ook kinderen opgevoed. En daar is ze trots op. Maar dat zij die jongen in de oorlog in huis nam en het leven heeft gered, ach dat hoeft niet iedereen te weten, zegt ze. Rob schudt met zijn hoofd beslist `nee'. `Ik vind juist dat iedereen het moet weten.'

Omdat ik Rob Milikowski al lang ken, mocht ik met enkele tientallen anderen de plechtigheid bijwonen op de Wassenaarse American School, waar de dit jaar toegekende Yad Vashem-medailles werden uitgereikt: één aan Rie Harren en, postuum, haar overleden echtgenoot Piet Harren en één aan Alida Kole. Het was een stijlvolle bijeenkomst, omlijst met muziek en voordrachten door toegewijde scholieren. Ze reciteerden onder meer teksten van Elie Wiesel: `Wanneer we de poorten van onze herinnering openzetten/ Een terugblikken op wat is geweest,/ Moeten we altijd onthouden/ Dat het aan de mens is gegeven/ Om te kiezen voor het leven/ In plaats van voor dood en vernietiging.'

Zowel Rob Milikowski als mevrouw Harren waren bereid de poorten van hun herinnering voor hun publiek te openen. Van Rob hoorde ik voor het eerst pijnlijk precies wat ik tot dusver alleen globaal wist. Hoe hij als baby van vier maanden door zijn moeder aan een onbekende vrouw uit Haarlem is meegegeven.Maar ook dat hij, dankzij die onbekende vrouw en haar man onbezorgde peuterjaren heeft gekend, vol kattenkwaad waarover zijn pleegouders later liefdevol opschepten alsof ze het over hun eigen stoute zoontje hadden.

En dan Rie Harren zelf, die voor het eerst van haar leven achter een spreekgestoelte plaatsnam en eenvoudig vertelde hoe ze hem in 1943 in de Amsterdamse Transvaalstraat ophaalde. `Ik ben toen met zijn moeder een stukje gaan wandelen, ik duwde de kinderwagen met de baby erin. Op alle straathoeken stonden Duitse soldaten, zijn moeder was heel zenuwachtig. We hadden afgesproken dat zij langzamer zou gaan lopen en dan zou achterblijven. Op een gegeven moment liep ik met de wagen de wijk uit.' Rob heeft zijn moeder nooit gekend, ze keerde niet uit Auschwitz terug. Zijn vader overleefde, als enige van een grote familie, de vernietigingskampen, stichtte na de oorlog een nieuw gezin en gaf Rob een derde moeder.

`We zijn niet alleen verantwoordelijk/ Voor de nagedachtenis van de doden/ wij zijn verantwoordelijk/ voor wat we met die nagedachtenis/ doen' – Elie Wiesel.

Robs oorlogsmoeder is het toppunt van bescheidenheid en ook hijzelf heeft er geen enkele behoefte aan in de schijnwerpers te staan of aan zijn persoonlijke geschiedenis ruchtbaarheid te geven. Haar gedrag in de oorlog en zijn gevoelens daarover hebben geen publiek nodig, daar ging het allemaal niet over, daar was het hen in elk geval niet om te doen. Niemand sloeg zich op de borst, mevrouw Harren vertelde piepkleine verhaaltjes. Alsof het haar belangrijkste verdienste was hoe ze Robs tweede verjaardag in de hongerwinter hadden gevierd. Er was niets in huis, maar van een handvol tarwekorrels, gemalen in de koffiemolen, bakte ze `drie in de pan' en `zo hadden we toch nog een traktatie'. De vertaler wist zich met dit kennelijk typisch Nederlandse gerecht geen raad en noemde de met zorg bereide pannekoekjes `something special'.

Kenmerkend van de Yad Vashem-plechtigheid was dat elke grootspraak ontbrak. Strikt persoonlijke herinneringen werden niet gereduceerd tot voorbeeld of allegorische vergelijking. Ook, en dat moest wel opvallen, ontbrak elke verwijzing naar of vergelijking met vervolging en oorlog nu. Wie een leven redt, redt de wereld, maar dat maakt het omgekeerde niet noodzakelijk waar: wie een leven vernietigt, vernietigt de wereld. Ik vermoed dat iedere aanwezige aan Kosovo en de NAVO-bombardementen heeft gedacht, maar die gedachten zullen uiteen hebben gelopen. J.L. Heldring formuleerde het mooi in deze krant: `Als alles gereduceerd wordt tot Auschwitz, verliest dat zijn uniciteit, wordt het geïnstrumentaliseerd voor een ander, al is het nog zo verheven, doel.'

En toen werd het avond en leek niemand in Nederland meer aan welke oorlog dan ook te denken. Ik wil mij liever onthouden van een vergelijking tussen de dag van mamma Harren en de nacht van Wiegel. Maar ik moet toegeven dat ik er zo mijn gedachten bij had, toen ik na een middag vol ingetogen verhalen over onbaatzuchtig heldendom 's avonds voor de televisie werd geconfronteerd met de voorstelling van een operetteheld die triomfantelijk de destructieve werking van zijn onbedwingbare eerzucht en geldingsdrang aanschouwt.