Hollands Dagboek

Beeldend kunstenaar Oscar van Doorn (51) observeert al een jaar lang een roekenkolonie. Vanuit een kleine caravan op een acht meter hoge steiger, in de uiterwaarden van de IJssel, volgt hij het leven van deze vogels.

Woensdag 12 mei

Achter me liggen maanden van intensief observeren en fotograferen. De beelden stapelen zich op; de ordening en het maken van keuzes moeten nog beginnen. Eind dit jaar worden de resultaten van het project tentoongesteld in het Natuur Museum in Groningen. Het wordt een installatie van duizenden zwart-wit foto's die ik op verschillende manieren bewerk. Vandaag ga ik eerst naar mijn atelier om proeven te maken met de kopieën van mijn foto's, die ik in de kunstinstallatie ga gebruiken. De talloze delen, waaruit ik de installatie ga samenstellen, liggen op de vloer. Ik laat ze daar rustig besterven; het beeld dat ik in de loop van de tijd van de roeken heb gekregen – als kunstenaar, niet als natuurfotograaf – zal ik later gebruiken in de kunstproductie.

Daarna ga ik weer richting observatiepost. Ik volg de winterdijk en zie in een van de wielen van de IJssel een aantal roeken een bad nemen. Even verderop neemt een deel van de kolonie bezit van de wind. Het ziet eruit als een acrobatieknummer. Ik ben jaloers op de vrijheid waarmee ze zich bewegen.

In m'n observatiepost zorgen aan- en wegvliegende wespen voor een vroeg spitsuur. Ze hebben een gedeelte van mijn ruimte gekraakt en bouwen daarin nu een eigen behuizing. Buiten, in de kolonie, is het voorjaar volledig uit z'n voegen gebarsten.

Donderdag

Door de hoge waterstand van de laatste tijd was het niet altijd mogelijk om m'n observatiepost te bereiken. Vandaag levert dit echter geen problemen op. Om 7 uur in de morgen loop ik door het wilgenbosje in de Brummense uiterwaarden. Al geruime tijd word ik daar gevolgd en bespied door een velduil. Bijna dagelijks ontmoeten we elkaar.

Als ik het glibberige houten bruggetje over ben, ontvouwt het weidse rivierlandschap zich. In de verte zie ik het bos van hoge wilgen, waarin de roekenkolonie huist. Elke keer als ik de ladder naar m'n post beklim, herinner ik me het transport van de vracht materiaal naar deze plek. De grote houten boerenkar met ijzeren hoepels om de wielen, de twee potige Belgische paarden ervoor en de bejaarde boer, die als koetsier fungeerde. En het kostte me maar één fles jenever!

Vandaag is het zicht prima. De IJssel ligt als een zilveren lint aan m'n voeten. Het stadje Bronkhorst is aan de overkant achter de winterdijk duidelijk zichtbaar. Als ik over m'n schouder kijk zie ik `De wijde landen' en `Spaensweert', twee grote landgoederen waarachter het dorp Brummen verscholen ligt. Als wat later de zon doorbreekt, zijn in de verte zelfs de contouren van het Veluwemassief te zien.

De roeken vliegen af en aan om de eerste jongen van voedsel te voorzien. Zo'n zeshonderd nesten tekenen zich af tegen de lucht. De vogels zijn nu dag en nacht aanwezig, steeds maar bezig met hun indrukwekkende rituelen. De dans voor het slapen gaan, het spelen op de wind en het overdragen van de bruidsschat.

Vorig jaar, op een van die feestelijke voorjaarsdagen, vroeg in de morgen, werd ik in m'n post door vrienden verrast met een champagne-ontbijt.

Vrijdag

Als de zon opkomt, loop ik langs de verharde weg richting Bronkhorsterveer, de uiterwaarden in. In de hoge populieren wacht m'n vriend de velduil. Hij vliegt zelfs een tijdje met me mee. In de bocht van de weg verdwijnt hij uiteindelijk richting IJssel.

Grote groepen roeken zwermen boven de rivier. Ze zijn rumoerig vandaag. In de kolonie heerst al weer grote bedrijvigheid. Het voedsel voor de jongen is bijna niet aan te slepen. De bevoorrading gebeurt met grote inzet en een uitgekiende logistiek.

De IJssel is een druk bevaren rivier. Op 30 april vorig jaar behoorde zelfs koningin Beatrix, op weg naar Zutphen, tot de passanten. Aan de observatiepost wapperde die dag de rood-wit-blauwe vlag. Zou ze m'n groet opgemerkt hebben?

Omstreeks die tijd kreeg ik ook bezoek van Kees van der Meiden en André Brasse,respectievelijk directeur en hoofd tentoonstellingsdienst van het Natuur Museum Groningen. Ze kwamen eens poolshoogte nemen.

De zomermaanden stonden in het teken van m'n buren, de koeien. Ze stonden aan de voet van m'n post urenlang onafgebroken naar boven te staren.

Op een keer, heel vroeg in de morgen, drong een buizerd de roekenkolonie binnen. Dat kwam hem duur te staan. Tientallen roeken stormden met veel geweld op hem af; sommige belandden zelfs op z'n rug en reisden even mee. De buizerd schrok zo, dat hij bijna m'n observatiepost binnenvloog.

Heel bijzonder blijven de zonsop- en zonsondergangen. Ik voeg ze elke dag weer toe aan m'n lange lijst van onvergetelijke ervaringen. De zonnige en regenachtige dagen, de lichten en de luchten, het steeds weer veranderende landschap, het bouwen van de nesten, de voorjaarsrituelen, de takkelingen, de eerste vliegoefeningen, de miljoenen wilgenpluizen, het hoge water, de ijsvlakte in de vroeg ingevallen winter.

Tijdens de bouw van m'n observatiepost hield ik me vaak bezig met de vraag of hij het zou houden bij windkracht 8 of 9. Nu, meer dan een jaar later, lijkt het onzin dat ik me daar druk over heb gemaakt. Toch gaan alle ervaringen en indrukken, alle kleine en grote zorgen, een rol spelen in mijn kunstproductie. Niet als fotografische beelden, maar als wegen die leiden naar de essentie van m'n project: `de roeken een ander imago te geven in het Nederlandse landschap'.

Zaterdag

Deze dag breng ik door in m'n atelier. Het ligt er vol met materiaal, afkomstig uit het voorjaar, de zomer en de herfst van het vorige jaar. Met het materiaal van de afgelopen winter ben ik nog niet echt bezig.

Er zijn beelden, die grote veranderingen in het landschap tonen. De reacties daarvan op de gedragingen van de roeken zijn duidelijk zichtbaar. Vanuit deze chaos moet ik, om te komen tot de essentie, kiezen, bouwen en vormen.

In m'n herinnering ga ik terug naar de roekenkolonie, zoals die was in het voorjaar van 1998. Toen waren de vogels van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig met het aanslepen van voedsel. Zoiets als Schiphol met wel vijfhonderd vliegbewegingen per halfuur, maar dan zonder kerosinedampen en geluidsoverlast. Hoewel, geluid. Ik heb eraan moeten wennen. Een zeer indringende, continue conversatie.

Nog even en de situatie is weer net als toen.

Zondag

Ik ga ditmaal niet naar de uiterwaarden via het wilgenbosje, maar via de boerderij `Het hoog kraaiennest' van boer Brummelman en de laatste slenk. Zo kom ik aan de achterzijde van het roekenbos uit.

Terwijl ik wat notities en schetsen maak, loop ik door de roekenkolonie, richting observatiepost. Het bos ziet er `oerachtig' uit met tientallen omgevallen bomen en veel drijfhout. Het hoge water van het vroege voorjaar is daar de oorzaak van.

In de toppen van de bomen zie ik de gestapelde nesten met hier en daar een opening. Het lijken wel flatgebouwen. Op de grond vind ik de overblijfselen van een dode roek en van een uit een boom gewaaid nest. Dat hier resten van vogels liggen is niet zo verwonderlijk. Het begin van de zomer van 1998 was erg nat en veel jongen hebben die omstandigheden, die onder andere longontsteking veroorzaakten, niet overleefd. Ik heb ze in die periode vaak gevonden, hulpeloos roepend om voedsel. Als ik ze m'n vinger gaf, probeerden ze die gulzig naar binnen te werken.

Vorig jaar, aan het einde van het voorjaar, tijdens de overgang naar de zomer, telde de kolonie ongeveer 1.800 jonge vogels, die massaal, de hele dag door, gulzige geluiden produceerden. Een restaurant vol uitgehongerde gasten, die hoofdgerecht en toetje tegelijkertijd naar binnen werkten. De nutteloze restanten werden zonder schaamte geloosd, zodat de kolonie al snel een wit vloerkleed kreeg.

Vanuit de observatiepost zie ik dat van alle kanten groepen roeken komen aanvliegen. Alle groepen verzamelen zich boven de kolonie, zodat er tenslotte wel duizend vogels zijn. Ze zien eruit als straaljagers.

Alsof ze dat zo afgesproken hebben, stijgen ze plotseling allemaal zo hoog mogelijk om daarna met veel lawaai richting kolonie te duiken. Vlakbij de boomtoppen geven ze vol gas en stijgen ze weer tot grote hoogte. Deze bewegingen worden wel honderd keer herhaald. Uiteindelijk strijken de vogels uitgeput in de bomen van de kolonie neer om te gaan slapen.

Het kijken naar de roeken als het schemert of tijdens nachtelijke uren levert bijzondere beelden op. De groepen vogels zien eruit als aanrollende golven, de afzonderlijke roeken als vliegende vlinderstrikjes.

Deze beelden zijn uniek en ik ben van plan ze in de kunstinstallatie te gaan gebruiken voor het oproepen van een eigen sfeer en abstractie. De roeken zullen daarin echter niet meer te herkennen zijn.

Inmiddels is het donker geworden en ik loop de weg terug. Bij het wilgenbosje wacht de velduil. Hij verwelkomt me met sierlijke draaibewegingen van z'n kop. Ditmaal vliegt hij tot m'n verrassing een stukje voor me uit. Hij wacht me op, staart me aan en vliegt weer weg. Tot het einde van het paadje wordt dit ritueel herhaald.

Maandag

Vandaag laat de velduil zich niet zien.

Ik loop naar de IJssel om de roeken daar te observeren. Ze vliegen hoog vandaag, tot boven de stapelwolken. Door de gaten in het wolkendek zie ik ze verschijnen en weer verdwijnen.

's Middags rijd ik naar Brummen om bij de fotograaf negatieven op te halen. Regelmatig word ik staande gehouden door vrienden die willen weten of m'n observatiepost inmiddels nog niet is weggewaaid of – en dat is aannemelijker – weggespoeld.

De negatieven blijken goed. In m'n atelier zoek ik naar spanning, ritme en abstractie en naar esthetische vormen, die relatie hebben met het landschap. Ik probeer te komen tot vervreemde beelden die ik kan gebruiken voor m'n kunstwerken.

Tussen de stapels negatieven vind ik er een, waarop een roek bezit neemt van de wind. Het lijkt alsof hij surft op de golven van een denkbeeldige zee.

Samen met Heidy, m'n vrouw, eet ik wat.

In de loop van de middag ben ik weer in de uiterwaarden. Twee roeken buitelen over elkaar op een stukje drooggevallen terrein. Vijf reigers zoeken op diezelfde plek naar voedsel. Plotseling strekt er een z'n nek en pakt een mol.

Op een paaltje in de buurt strijkt een torenvalk neer. Hij wordt onmiddellijk door de roeken verjaagd.

Dinsdag

Het is vroeg in de morgen. Ik loop het paadje af door het wilgenbosje en vind twee uilenballen.

Al het gras in de uiterwaarden buigt zich in één richting. Deze beweging kan ik wellicht in de kunstproductie gebruiken. Ik tast het landschap af, op zoek naar nog meer vormen en beelden.

In de verte scharrelen twee knobbelzwanen. Een paar scholeksters vliegen in de richting van `Het ganzenei', het natuurreservaat van Staatsbosbeheer. Vanuit m'n observatiepost kijk ik even later neer op het meertje dat zich in het landschap bevindt. Het ziet eruit als de krater van een uitgebluste vulkaan.

Er zijn ook dagen dat de plas erbij ligt als een glanzende munt.

Ik fotografeer in de loop van de dag de windsporen in het wateroppervlak. Misschien kan ik deze beelden straks combineren met de grafische beelden van de roeken die ik maakte in het vroege voorjaar van 1998.

Zo ontstaan er elke dag weer verbindingen met de roeken in het landschap. Voor mij beginnen zich nu al die verschillende belevenissen om te vormen tot diepgaande, introverte processen. Ik wil proberen de achterkant van die processen te gebruiken.

Hoewel het me duidelijk geworden is dat roeken collectief functionerende vogels zijn, heeft toch elk dier een eigen karakter en een eigen stijl. Sommige presenteren zich, zwevend door de lucht, met een air, een persoonlijkheid en een uitstraling van `wie doet me wat'. Soms ben ik ademloos getuige van een ballet van de allerhoogste kwaliteit met de wind als begeleidend orkest.

Achter dat deftigzwarte incognito verschuilen zich wel degelijk de stralend witte vogels, die in mythologische verhalen worden beschreven.

Woensdag 19 mei

Een mooie dag om te mediteren. Dat doe ik veel te weinig de laatste tijd. Toch kan ik het niet laten om even naar de observatiepost te gaan en van het landschap te genieten.

Voor m'n expositie in Groningen vroeg ik een groot aantal mensen naar hun gedachten en gevoelens bij de vogels, die ik nu al maandenlang observeer. Het werden verrassende verhalen. De nog niet uitgewerkte teksten neem ik vandaag mee naar m'n post; ik kijk ze daar in alle rust eens door.