Hoe meer talen hoe meer Engels

De mensheid spreekt duizenden talen maar toch is er samenhang. Dankzij de meertaligen. De socioloog Abram de Swaan bestudeert de transnationale dynamiek van taalrivaliteit en het sluiten van compromissen. `Wat nodig is, is dat we het Engels ontengelsen.'

TOEN MINISTER Ritzen tien jaar geleden voorstelde dat de Nederlandse universiteiten een deel van de colleges voortaan in het Engels zouden geven, was hoon zijn deel. `Nederland schaft de eigen taal af', vonden de internationale kranten. ``Dwaas en onverantwoord'', oordeelt de Amsterdamse socioloog Abram de Swaan. ``Zoiets kun je helemaal niet verordonneren, het is meeblazen met de westenwind. Niet dat ik tegen het geven van sommige colleges in het Engels ben, dat lijkt me een heel nuttige training. Maar om te voorkomen dat het Nederlands bedreigd wordt, moet je als staat toch je steun aan de staatstaal blijven geven.''

Sinds enige jaren houdt De Swaan zich bezig met transnationale processen in relatie tot taal. Het sluit aan bij zijn eerdere onderzoek zoals dat in 1988 is neergelegd in Zorg en de staat. ``In dat boek schreef ik een fors hoofdstuk over nationale taalunificatie, met name in Frankrijk en Engeland'', zegt De Swaan in de Academische Club van de Universiteit van Amsterdam, om de hoek bij de faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen. ``Ook bezigde ik er wat formele uitdrukkingen. Ik vond dat nog niet helemaal uitgewerkt en wilde erop doorgaan. Zo raakte ik geïnteresseerd in zaken als taalaccomodatie, taalrivaliteit en het zoeken naar compromissen. Daarbij beweeg ik me in een soort academisch niemandsland dat grenst aan sociologie, internationaal recht, politicologie taalkunde en economie. Sociologen zijn wat verlegen om zich met taalkwesties bezig te houden. Ten dele komt dat omdat linguïsten zo'n sterke academische discipline vormen en je wilt niet gauw voor dilettant spelen. Dus was er weinig aandacht voor de structurele plaats van taalgroepen in nationale en transnationale samenlevingen.''

De afgelopen tijd is De Swaan – ``subsidie vraag ik niet aan, die is slechts gereserveerd voor voorspelbaar onderzoek'' – een aantal keren met zijn nieuwe onderwerp naar buiten getreden. Zo sprak hij vorig jaar oktober in Oegstgeest op het congres `Which languages for Europe' over de talenconstellatie in de Europese Unie. In het tijdschrift Language Problems & Language Planning (Vol. 22/1 en 2) verscheen in twee afleveringen het artikel `A Political Sociology of the World Language System'. Ook waren er vorige maand twee voordrachten: onder de titel `Woorden van de wereld' voor de Akademie van Wetenschappen en, in aansluiting daarop, de NWO/OKW-voorjaarslezing getiteld `Hoe meer talen hoe meer Engels'. Een boek is in voorbereiding.

Het wereldtalenstelsel omvat ongeveer zesduizend talen. Dat de mensheid niet op Babylonische wijze versplinterd is geraakt, komt door de meertaligen. Dankzij hen zijn de talen van de wereld in een eenvoudige, hechte structuur met elkaar verbonden. Daarbij zijn er vier niveaus. Op het laagste niveau spelen de lokale talen, zoals het Fries, het Papiamento en het Limburgs. Sprekers van zulke talen verstaan elkaar onderling doorgaans niet, maar zijn met elkaar verbonden via een centrale taal, in dit geval het Nederlands. Op hun beurt zijn talen op dit tweede niveau met elkaar verbonden via een supercentrale taal, zoals het Frans, het Arabisch, het Maleis of het Swahili. De spil waarom alles draait, de hypercentrale taal van het stelsel waarin een Spaanstalige spreekt met een Rus, een Zweed met een Japanner en een Vietnamees met een Azteek, is het Engels.

Uitgaande van dit wereldtalenstelsel analyseert De Swaan de transnationale samenleving in het perspectief van taalconflicten en taalcompromissen. ``Die verschijnselen zijn relatief nieuw. Het idee dat je alleen over taal ruzie maakt, zoals de Belgen, heeft te maken met drukpers, met onderwijs. Die geven de mensen het idee dat ze een taal spreken, dat die anders is dan een andere taal, dat er een correctie manier is om die taal te spreken, dat het altijd zo gemoeten heeft, en dat die taal beschermd moet worden. Vroeger vond niemand het gek dat aan het hof een andere taal werd gesproken dan in de rest van het land. Frederik de Grote excuseerde zich in prachtig Frans voor het gebrabbel van zijn Duitstalige onderdanen.''

EVENBEELD

Vooral de staat heeft in de moderne tijd de taalpraktijken grondig veranderd. De Swaan: ``In feite is de staat erin geslaagd de taal te modelleren naar zijn evenbeeld. Wie in het Westen `taal' zegt, heeft al `staat' gedacht. Het Frans is een schoolvoorbeeld van een taal die van bovenaf, van staatswege, is opgelegd en ontwikkeld. Die taal is gestandaardiseerd, er is een vocabulaire, een literaire canon – alles door de Academie Française opgelegd, soms weinig zachtzinnig. Die politiek heeft succes gehad. Nog in 1870 sprak de overgrote meerderheid van de recruten niet of nauwelijks Frans maar een een lokale taal als het Bretons of het Occitaans. Overigens is het aardig te zien hoe in onze tijd linguïsten zich even fervente voorstanders van taaldiversiteit betonen als hun voorgangers een eeuw geleden voorstanders waren van taalunificatie.''

Nog altijd grijpen de Fransen elke mogelijkheid aan tot behoud en verbreiding van hun taal. Wel is de afwerende houding tegenover het Engels onder druk van het onderzoeks- en lezingeninstituut Collège de France inmiddels veranderd en worden Fransen juist aangemoedigd goed Engels te leren. De Swaan: ``Frankrijk is een van de weinige landen die een actief nationaal taalbeleid voeren. Lange tijd is het beleid geweest te verhinderen dat Franse geleerden op buitenlandse congressen Engels zouden spreken, of in het Engels zouden publiceren. Dat is opgegeven, in het onderwijs krijgt Engels nu veel aandacht. Vroeger waren er verplichte quota voor Franstalige muziek, bang als men was voor de aantrekkingskracht van de Amerikaanse cultuur. Het werkte contraproductief. Iedere sukkel met een microfoon die in het Frans zong werd toegelaten. De zaak is gered toen jonge allochtonen in het Frans gingen zingen. Die kwamen met vernieuwende muziek die veel leuker was.''

Behalve deze macrosociologische ontwikkelingen spelen er individuele keuzen en dilemma's op microniveau. De Swaan: ``De politieke economie van de taal is een nauwelijks ontgonnen terrein, misschien uit vrees om het verheven onderwerp van de taal te bezoedelen met platte winstberekening. Niettemin heeft taal nut en dus is het een goed in economische zin. Maar wat voor soort goed? Om te beginnen raakt een taal niet op in het gebruik. In tegendeel: hoe meer mensen zich van een taal bedienen, des te nuttiger ze is voor ieder afzonderlijk. En, zolang iedereen vrije toegang heeft tot de taal, bijvoorbeeld via verplicht onderwijs, kan niemand er een prijs voor vragen, niemand kan aanspraak maken op het alleenrecht ervan, niemand kan ervan worden uitgesloten. Er is dus sprake van netwerkeffecten, op dezelfde manier als bij videorecorders de industriële VHS-standaard in waarde toeneemt naarmate er meer gebruikers zijn. Die combinatie van een collectief goed met netwerkeffecten maakt een taal, inclusief het geaccumuleerde culturele kapitaal aan teksten dat in die taal is vastgelegd, tot een hypercollectief goed. Juist deze eigenschap kan een stormloop richting een standaardtaal in gang zetten. Als veel mensen denken dat veel mensen zich een bepaalde taal, bijvoorbeeld het Engels, eigen gaan maken, wordt het voordelig op die taal over te stappen. Daarmee verminderen ze de waarde van hun oude taal voor degenen die zich daarvan blijven bedienen. Alleen staatsbemoeienis of collectieve actie van de achterblijvers kan dan nog voorkomen dat de oude taal te gronde gaat.''

Om het belang van een taal te schatten kun je kijken naar het aantal sprekers, of naar het bruto product dat die sprekers in totaal voortbrengen. In het eerste geval komt het Nederlands in de wereld op de 35ste plaats, naar de tweede maatstaf zijn we tiende. De Swaan hanteert, om de communicatiewaarde van een taal uit te drukken, de zogeheten Q-waarde. Die houdt zowel rekening met het aantal sprekers (de prevalentie) van een taal binnen een bepaalde configuratie, bijvoorbeeld het Nederlands binnen de Europese Unie, als met het aantal meertaligen die binnen dat geheel die taal in hun repertoire hebben: de centraliteit (zie kader). Als eerste, grove maat stelt De Swaan: Q = P C. ``Er zijn verfijndere indicatoren denkbaar maar de huidige talenstatistieken zijn te onbetrouwbaar, te schaars en te fragmentarisch om zo'n subtielere maat recht te doen. Niettemin weerspiegelt de Q-waarde de globale waarderingen op grond van vage schattingen die mensen maken als ze van plan zijn een taal te leren en zich proberen in te denken wat hen dat aan extra carrièrekansen zal opleveren.''

De Q-waarde verklaart waarom talen die helemaal niet zo wijd verbreid zijn, zoals in India het Engels in vergelijking met het Hindi (of in Senegal het Frans in vergelijking met het Wolof) toch zo'n hoge communicatiewaarde hebben. De Swaan: ``Een taal heeft een zekere inertie. Steeds is het moeilijk gebleken de voormalige koloniale taal buitenspel te zetten. Bureaucraten konden via de taal de bestuursfuncties monopoliseren: in arme landen kun je mensen van een taal uitsluiten door ze onderwijs te onthouden. Verder waren bijna al die koloniën nieuwe formaties waarin allerlei groepen samenkwamen met als enige gemeenschappelijke taal de taal van de overheerser. Ook de nationalisten kwamen elkaar in die taal tegen. Na de onafhankelijkheid was de keuze tussen de koloniale taal of een inheemse taal. Maar welke inheemse taal? Dat leverde vaak een patstelling op.''

India is een illustratief voorbeeld. De Swaan: ``Gandhi stond dezelfde soort oplossing voor als waarmee de Indonesiërs kwamen. Daar kozen de dominerende Javanen toch voor een variant van het Maleis: het Bahasa Indonesia. Gandhi propageerde het Hindostani, een bazartaal die iedereen een beetje slordig sprak. Er moesten vooral veel leenwoorden in uit het Perzisch, het Dravidisch, enzovoort: juist zo'n eclectische bastaardtaal leek hem geschikt voor een groot land als India. Maar toen kwamen de Hindoe-nationalisten en die dreven het zuivere Hindi door zoals dat zijn wortels heeft in het Sanskriet. Perzische woorden waren taboe, dat getuigde van islamitische invloed. Omdat andere groepen weigerden het Hindi te accepteren, heeft de koloniale taal zich weten te handhaven. Iedereen met geld probeert zijn kinderen op een school te krijgen waar Engels geleerd wordt. Het heeft een enorme zichzelf versterkende werking. In Zuid-Afrika zijn naast het Afrikaans negen inheemse talen in de grondwet verankerd, plus het Engels. Dus wint het Engels. Wat ook had gekund: een aantal verwante talen samenvoegen tot een overkoepelende landstaal. Dat gebeurt niet vanwege naijver tussen groepen.''

Binnen de Europese Unie is de Q-waarde van het Engels het grootst. Het Duits, dat de hoogste prevalentie heeft, komt achter het Frans omdat veel Europeanen Frans op school erbij geleerd hebben terwijl het Duits zo'n beetje alleen door Nederlandse leerlingen (mondjesmaat) wordt gekozen. Het Spaans staat na het Italiaans op de vijfde plaats: dat het om een wereldtaal gaat werkt binnen Europa nauwelijks door. Met twintig miljoen moedertaalsprekers en wat Walen die het – tegen heug en meug – erbij krijgen, staat het Nederlands zesde. De overige talen van de Unie zijn door hun minieme centraliteit (wat hun Q-waarde tot vrijwel nul reduceert) nauwelijks nog te ordenen.

Loopt het Nederlands gevaar? De Swaan: ``In de meeste domeinen wordt het heel vanzelfsprekend gebruikt, de mensen kwekken en kwebbelen dat het een lieve lust is in hun eigen moerstaal. Maar in domeinen als de luchtvaart, marketing, de computerbranche, de financiële wereld en een aantal hightech-bedrijven speelt het Engels een grote rol. Wat gebeurt: het Engels krijgt een prestige waardoor sommige Nederlanders gaan denken dat je bepaalde dingen alleen in het Engels kunt zeggen. Of dat ze dan opwindender of diepzinniger of handiger zijn – soms is dat misschien ook wel zo. Maar er zijn net zo goed zaken die je niet zo kunt zeggen in het Engels en wel in het Nederlands. Iedere fatsoenlijke taal is geschikt om er alles in uit te drukken. Kijk naar het Hebreeuws, dat na tweeduizend jaar van bijbeltaal is opgewaardeerd tot volwaardige staatstaal van Israel.''

Maar toch: in situaties van diglossie is de lagere taal wel eens verdwenen. De Swaan: ``Bijna alle Europese naties zijn glottofage taalverslinders, hoogstens hangen er nog een een paar sliertjes aan opgegeten talen – Keltisch, Bretons, Catalaans, Gaelic – uit hun mond. Kan dat ook gebeuren met het Nederlands ten aanzien van het Engels? Gezien het verleden is dat geen krankzinnige vraag. Maar er is één verschil: het Nederlands is een robuuste staatstaal, verplicht onderwezen, verplicht te gebruiken in de rechtspraak en de bureaucratie, breed aanwezig in de media, zwaar voorzien van apparatuur zoals woordenboeken, groene boekjes en ga zo maar door. Naar mijn weten is het uniek dat zo'n stevig geëquipeerde staatstaal in een zekere rivaliteit staat tot de tweede taal die een aantal hogere functies in de samenleving vervult en ook aanwezig is op het gebied van het amusement. Maar voorlopig lijkt het Nederlands weinig aangetast. Neem een goede eigentijdse Nederlandse zin als: `Ik heb de file gesaved'. Zo'n uitspraak bezorgt taalzuiveraars een spraakstilstand. Maar bij nader inzien blijkt dat in die zin de machtige kauwvlakken van de Nederlandse uitspraak, grammatica en syntaxis twee Engelse brokjes vermalen hebben tot een puntgave Nederlandse volzin. Wat er gaat gebeuren weten we niet maar je moet toch wel een beetje opletten met voorstellen als het verplicht verordonneren van colleges in het Engels.''

Het enige nadeel van de verspreiding van het Engels, aldus De Swaan, is de enorme, ``volstrekt onverdiende'' bevoordeling van Engelse moedertaalsprekers. ``In mijn vak merk je dat iedere dag. Dat heeft te doen met de taal, maar ook met economische en wetenschappelijke overmacht. Internationaal publiceren wil meestal zeggen: in het Engels publiceren. Dat geeft niet, laten we blij zijn met een taal die zo'n verbindende, commucatieve en integrerende werking heeft. Maar je moet intussen voldoen aan normen die gebaseerd zijn op een specifiek Angelsaksische wijze van wetenschapsbeoefening. Wil je in academisch Nederland hogerop en moet je internationale publicaties overleggen, dan wordt die aanpak beslissend in je loopbaan. Dat vind ik toch een serieus probleem. Eigenlijk zouden Europeanen het Engels moeten ontengelsen. Een idee zou zijn Europese taalacademies op te zetten, waar ook de tolken en vertalers van de Unie hun opleiding zouden moeten krijgen, die mensen perfect Engels leren beheersen zonder dat ze noodzakelijkerwijs deel hebben aan de Engelse wetenschappelijke en culturele cultuur. Dan krijg je Fransen die zo goed Engels beheersen dat ze in de redactie van een Engelstalig tijdschrift kunnen zitten en daar hun eigen cultuur- en wetenschapsopvattingen uitdragen.''

STRIJDIGE STREVINGEN

Terwijl Europa op één munt afkoerst, worden op het hoogste niveau in de Unie nog altijd elf talen gebruikt en – wie weet – zijn het er straks vijftien of vijfentwintig. De Swaan: ``In de betaling blijkt de eenheid, in de vertaling beklijft de verscheidenheid van Europa. Vrijwel iedereen houdt vast aan de strijdige strevingen van een zo groot mogelijk onderling begrip en ook aan een volledige gelijkberechtiging van de talen van alle lidstaten. Dat kan niet allebei tegelijk. Intussen is in het ambtelijk overleg binnen de Commissie een praktijk gegroeid van Frans en Engels, een oplossing die helemaal geen basis heeft in verdragsteksten. Mijn hoop is dat binnen het Europese Parlement ook zo'n cultuur ontstaat, dat de eigen taal alleen van stal wordt gehaald om in verkiezingstijd voor Griekse tv-camera's in een klinkend betoog te fulmineren tegen belasting op Griekse olijven.''

Intussen is in het Europa der burgers het Engels in ijltempo bezig de Europese taal te worden. De Swaan: ``Bijna alle middelbare scholieren leren nu Engels, verplicht of uit vrije wil – zo'n beetje de enige keuze waarmee hun ouders het hartgrondig eens zijn. Maar nog altijd kampen we, bij gebrek aan een publiek Europees platform, met een democratisch tekort. Wat leest de Europese intellectueel? De International Herald Tribune, de Economist, de Financial Times, de New York Review of Books. Het is moeilijk daar een alternatief voor te vinden, al heeft Le Monde Diplomatique een Engelstalige editie en stuurt hij via het internet het gauchisme de wereld in. Ik geloof niet dat de Herald Tribune de beste instantie is om het Europese debat te entameren, het zijn gewoon Amerikanen. We zullen gericht zelf iets moeten opzetten, in het Engels maar beheerd door mensen die niet naar cultuur of levensvisie Engelsen of Amerikanen zijn. Het zou goed zijn als kleine Europese landen het initiatief namen.''