Het testament van een voyeur

Zelden wordt een film zo gedragen door klank, beeld, atmosfeer en suggestie als Death in Venice (Morte a Venezia, 1971) van Luchino Visconti. Meteen al de openingsbeelden zijn onvergetelijk: op klanken van de symfonieën van Gustav Mahler vaart traag, gefilmd in de vroege ochtend van vier uur, een traghetto over het rimpelloze water van de lagune van Venetië. Het is 1911. De zwijgende man aan boord, uitkijkend over de door nevels verzachte weidsheid, is de componist Gustav von Aschenbach. De kortgeleden overleden Britse acteur Dirk Bogarde vertolkt deze rol in een film waarin, ogenschijnlijk, `niets' gebeurt. Toch is Death in Venice een van de emotionerendste en ontroerendste films.

Bogarde toont hier een wijze van acteren die hem buiten plaats en tijd doet staan; hij is onthecht, ontheven aan de banaliteit van het alledaagse. Regisseur Visconti, van aristocratische komaf, geeft in zijn film een beeld van rijkdom, elegantie en decadentie in het Lido di Venezia, nog nauwkeuriger: in het Grand Hotel des Bains dat daar als een vesting voor de rijken aan het strand verrijst.

Kijken is de essentie van Bogarde's acteerstijl. Zijn rol is gemodelleerd naar de componist Aschenbach in Der Tod in Venedig van Thomas Mann, geschreven in 1911. Mann zette een schrijver van net over de vijftig neer, in artistieke crisis. Visconti zag het anders; hij meende componist Gustav Mahler in Mann's literaire personage te herkennen. De film is dan ook Mahler in het kwadraat: zijn muziek draagt de scènes en over zijn artistieke nood gaat het. Bogarde excelleert erin met zijn ogen en mimiek; hij speurt om zich heen naar schoonheid, tot hij daarvan de verpersoonlijking vindt in de efebische gestalte van de jonge jongen Tadzio met onwaarschijnlijk blonde lokken, blauwe ogen, vertolkt door Björn Andresen. Op Bogardes netvlies strijden verzadiging en wanhoop, geluk en verlangen om elkaar. Zoals hij overal zijn eigen dramatische composities hoort, zo ziet hij overal waar hij kijkt deze Tadzio. Uiteindelijk wordt Tadzio hem noodlottig. De jongen trekt hem aan. Aschenbach staat weerloos tegenover zijn schoonheid. In Venetië breekt de pest uit. Verrotting en dood heersen in de straten. Aschenbach wordt aangetast. In de laatste scène ziet hij Tadzio aan het strand, in het tegenlicht van de gloedvolle zonsondergang. Aschenbach stikt en sterft, het wegkwijnen heeft zijn voltooiing gekregen. In de woorden van Thomas Mann: `God is in feite de schepper van de schoonheid van de mens, en de mens ontheiligt deze schoonheid.' Ultieme schoonheid is als een onbereikbaar ver, wreed ideaal.

Visconti overstelpt de kijker met visuele indrukken, die geladen zijn met grandeur en zintuiglijkheid. Schitterend is het gesluierde licht dat de hoeden van de serene Silvana Mangano omspeelt. Elke opname is voorbeeldig en indrukwekkend. De film is als een glanzend parelsnoer.

Het kijken van Bogarde, en daarbij het soms wellustig bewegen van zijn lippen, maken Death in Venice tot het testament van een voyeur. Aschenbach wordt diep geraakt door wat hij ziet, zonder zelf aan het waargenomene te willen deelnemen. Zoals hij eenzaam dineert, in een strandstoel zit, op zijn hotelkamer naar zichzelf in de spiegel kijkt. Het zijn stuk voor stuk beelden van de machteloze buitenstaander. Met de jongen wisselt hij geen woord, zijn moeder Silvana Mangano raakt hij slechts met zijn blik aan. Tadzio herinnert hem op pijnlijke wijze aan de zuiverheid van zijn eigen jeugd, en tegelijk is hij de engel des doods.

Uiteindelijk blijkt dat achter elke schoonheid de dood schuilt. De glans van het hotel is corrupt; een zanger heeft een rot gebit, Aschenbach draagt de dood in zich. Alleen Tadzio onttrekt zich aan alle vergankelijkheid. In Visconti's beeldtaal brengt Venetië aan de componist uiteindelijk een verlossende Liebestod.

Death in Venice (Luchino Visconti, Italië, 1971), zaterdag, BBC1, 01.00-3.10u.