Grote steden krijgen 48 mln voor bestrijden schooluitval

Grote steden moeten helpen voorkomen dat scholieren zonder diploma van school gaan. Zij krijgen hiervoor structureel 48 miljoen gulden. De gemeenten kunnen het geld naar eigen inzicht inzetten. Dit staat in het `Plan van aanpak voortijdig schoolverlaten' van minister Hermans en staatsecretaris Adelmund (Onderwijs) waarmee de ministerraad, ondanks de val van het kabinet, gisteren akkoord is gegaan.

Volgens cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau gaan elk jaar 35.000 leerlingen van school zonder diploma. Hieronder valt iedereen die geen bruikbaar diploma, ofwel `startkwalificatie voor een baan' heeft. Diploma's in het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) en de Mavo gelden niet als startkwalificatie. De bewindslieden van Onderwijs willen ervoor zorgen dat deze jongeren terugkeren naar school of naast hun baan alsnog een diploma halen.

De prioriteit wordt in het plan van aanpak gelegd bij `risico-jongeren'. Zij hebben zelfs geen VBO- of Mavo-diploma, zitten zonder werk, hebben vaak sociale problemen en lopen kans in aanraking te komen met de politie. Het SCP schat het aantal risico-jongeren tussen de twaalf- tot vijftienduizend. Het merendeel van deze jongeren woont in de grote steden en allochtonen zijn binnen deze groep oververtegenwoordigd, maar precieze cijfers hierover zijn niet beschikbaar.

Naast de 48 miljoen voor de gemeenten, gaat structureel 12 miljoen gulden naar regionale meld- en coordinatiecentra. Sinds 1994 werken gemeenten in negentien van deze regionale centra samen bij de melding, registratie en doorverwijzing van jongeren onder de 23 jaar die zonder diploma de schoolbanken verlaten. Zo kan de leerplichtambtenaar direct maatregelen nemen als een school laat weten dat een bepaalde leerling niet meer in de klas gezien is. Ook kan er meteen worden ingegrepen als een school verzuimt spijbelaars te melden. Het meldpunt kan dan de onderwijsinspectie inschakelen om de schoolleiding op zijn verantwoordelijkheid te wijzen.

De grote steden mogen het geld naar eigen inzicht besteden op voorwaarde dat ze samenwerken met andere jeugdhulpverleners en bij wijze van inspanningsverplichting ook streefcijfers aangeven, voor hetgeen ze met het geld willen bereiken.

Ondanks het extra geld en de maatregelen die daarmee genomen kunnen worden, is volgens het Plan van aanpak de enige manier om nauwkeurig te volgen wat leerlingen doen nadat zij een school verlaten - met of zonder diploma - de invoering van het zogenoemde onderwijsnummer. Hiermee wordt elk kind gevolgd van zijn vierde jaar tot een eventueel academische studie of baan. Het wetsvoorstel inzake het onderwijsnummer ligt bij de Tweede Kamer. Dit nummer is omstreden omdat de Registratiekamer vindt dat het de privacy van de leerlingen schendt.