Groene waas

OOK ZONDER zelf een voet in de vrije natuur te zetten stelt de treinforens vast dat het hoogtepunt van het groeiseizoen niet ver meer is. Er zwemmen links en rechts kleine eendjes in de sloot, de appelboom is zijn roze bloempjes alweer kwijt en de boer stapelt zijn land vol gras in geschenkverpakking. Het uitbotten is welig tieren geworden.

In de hof van het AW-hoofdkwartier houden hogere planten het al lang voor gezien. Vogels en knaagdieren komen er nog wel eens een kijkje nemen, maar de bedekt- en naaktzadigen, een- en tweezaadlobbigen hebben ten lange leste in Darwins strijd om het bestaan gecapituleerd. Het betekent niet dat aan alle plantaardig leven rond het AW-complex een eind is gekomen. Op een canvas plunjebaal, die onbeheerd op een betonnen platje achterbleef, is in de loop van de jaren een opvallend groene waas verschenen. In de immer vochtige luwte van de batterij afvalcontainers die na de laatste gemeentelijke herprofilering voor de AW-entree opdook is een zelfde soort vegetatie ontstaan. Algen! Met verrassende overlevingskracht komen zij elke keer opnieuw tevoorschijn onder de kippen- en schapenbotjes en andere leefrestanten die ze soms geheel van het daglicht afsluiten.

Het zijn vaak de kleine dingen die het leven de moeite waard maken. Al eerder is hier geschreven over de onbegrijpelijke patronen waarin korstmossen op daken groeien. In een stukje over zwarte stamvoet is nagedacht over het ontbreken van algen op de laagste delen van de boombast. De afgelopen maanden is veel tijd besteed aan het onderzoek naar onregelmatigheden in het fijne algentapijt in de grote stad. En daarbij is een aardige ontdekking gedaan.

Belissend voor het al of niet voorkomen van algen op stenen en stoepen is niet alleen een goede, min of meer constante vocht- en voedselvoorziening en een bescherming tegen al te direct zonlicht, maar ook een bescherming tegen tred. Misschien is het geen nieuw inzicht, maar het is een aardig inzicht. Wie heel goed oplet ziet over veel betegelde stoepen een fijn groen waas liggen waarin de voetgangers algvrije paadjes lopen. Op klinkerwegen, zoals die naast de Amsterdanse grachten, rijden auto's een dubbel algloos spoor. Vooral vanaf balkons krijgt men het fenomeen overtuigend te zien.

Deze week werd besloten eens wat dieper in de materie te duiken. Proberen te achterhalen om welke algen het hier eigenlijk ging, of overal in de stad dezelfde algen groeiden, hoe de tredgevoeligheid lag, dat soort dingen. Van AW-wege is lang geleden terzake vingervlugheid opgedaan in een cursus die begeleid werd door de oude algoloog Heimans, zoon van een nog oudere Heimans die samen met Heinsius en Thijsse onsterfelijk is geworden. Nu kon dat van pas komen.

Met een bevochtigd wattenstaafje van het soort dat Albert Heijn verkoopt voor het reinigen van oren en dergelijke werd van de begroeide plunjebaal een stevig veegmonster genomen dat de watten diep groen kleurde. Een deel van het groen liet weer los in een glas water maar bleek daarna microscopisch onvindbaar – er moest worden geconcentreerd. Nu kon de al eerder genoemde handcentrifuge van de dode dokter die ook de urineweger achterliet, goede diensten bewijzen. Met een versnelling van 1:15 werd zonder veel inspanning een draaisnelheid van negenhonderd toeren per minuut bereikt, 900 rpm. Het werkte als een trein.

De microscoop toonde bij 100 en 400x vergroting tussen verweerde katoendraden stevige ovale algencellen die meestal paarsgewijs samenhingen. Ze waren een stuk groter dan de Oetker-gistcellen die als referentie waren toegevoegd. Het was een monoculture, dat was duidelijk. De volgende vraag was of aan de andere kant van het laboratorium naast de vuilcontainers dezelfde organismen tierden. En het verrassende antwoord: nee. De veegtest leverde twee heel andere soorten op: kleine, kogelronde bolletjes en lange stevige draden. Het stedelijk algentapijt bezit een onverwachte biodiversiteit die natuurlijk eerst in kaart moet worden gebracht voordat aan verder algenonderzoek kan worden begonnen.

Lezer, het is niet helemaal goed gegaan deze week. Het was al ver in de avond voor nieuwe monsters konden worden genomen en van daglicht was toen geen sprake meer. Nadat de wattenstaafjes een paar maal voor niets door godweetwat voor afval waren getrokken en bezoekers van een naburig cafetaria aanboden een handje te helpen, schoot te binnen dat in het laboratorium nog een zwarewatergevulde fles stond waarin van lieverlee óók al een groene aanslag was ontstaan. Misschien zou dat wat extra inzicht opleveren.

Uiteindelijk is van verder onderzoek afgezien. De fles vertegenwoordigt in zijn eentje een raadsel waarover een groep Delftse procestechnologen ook al eens vruchteloos het hoofd heeft gebroken, maar dat door de AW-exercitie van vorige week opeens wat helderder is te formuleren. Het ging over het uitdrogen van grond, vorige week, en meteorologen hadden opgegeven dat in Nederland in de maanden mei, juni en juli aan vrije wateroppervlakken gemiddeld ongeveer 100 tot 120 mm water per maand verdampt. Dat is zo'n 0,37 ml per etmaal per cm² vrij wateroppervlak. Met zijn bodemdiameter van 15 centimeter heeft de fles ruimte voor ongeveer drie liter water, dat – beneden de hals – een vrij oppervlak heeft van 175 cm². Genoeg voor een waterverlies van 65 ml per dag. Zo'n fles blijft geen twee maanden vol. Onzin, zegt de lezer, het vrij verdampend wateroppervlak van deze fles is niet groter dan de doorsnede van zijn hals en daar valt inderdaad wat voor te zeggen. De flesopening heeft een diameter van 3,5 centimeter, het `effectieve' vrij verdampende oppervlak is maar 10 cm². De fles doet er dus maximaal 2,5 jaar over om helemaal droog te dampen. Het probleem is: de fles is twee jaar geleden geheel met water gevuld en er is nog geen liter weg. Er is een onbekend proces dat de verdamping onderdrukt. Totdat dit is begrepen blijven de algen ongemoeid.