Euroland vertoont scheurtjes

Het is misschien alweer in de vergetelheid geraakt, maar nog geen twee jaar geleden woedde in en buiten Europa een diepgaande discussie tussen voor- en tegenstanders van de Economische en Monetaire Unie in Europa. Los van de verschillende idealen en politieke visies op Europa en de nationale soevereiniteit was die discussie ook economisch. De kernvraag was: leidt de komst van één munt en daarmee van één centraal rentebeleid nu tot toenadering (convergentie) van de conjunctuur in de elf betrokken nationale economieën of juist tot verwijdering (divergentie)?

Tegenstanders wezen op het splijtingsgevaar. Anders dan in de Verenigde Staten zijn er in Europa slechts gebrekkige mechanismen om te zorgen dat een lagere groei in een deel van de euro-economie wordt gladgestreken met een hogere groei in een ander deelnemend land aan de muntunie. Taalkundige en culturele verschillen verhinderen in Europa het verhuizen van werknemers van landen waar hoge werkloosheid heerst naar landen waar juist krapte ontstaat op de arbeidsmarkt. En er is, anders dan in de VS, geen omvangrijke federale herverdeling van belastinginkomsten van staten waar het goed gaat naar staten waar het minder goed gaat.

Omdat er geen wisselkoersen en nationale rentepolitiek meer voorhanden zijn, en de begrotingspolitiek aan banden ligt, loopt de muntunie zo de kans een middelpuntvliedend karakter te krijgen: in landen waar het niet goed gaat, loert het gevaar van verdere stagnatie. In landen die daarentegen snel groeien, loert juist verdere oververhitting.

Volgens de EMU-voorstanders liep het allemaal wel los. Kern van hun betoog is altijd geweest dat de bezwaren overdreven waren. Vroeg of laat zou de gemeenschappelijke rentepolitiek zorgen dat de economieën van deelnemende landen aan de muntunie gezamenlijk op en neer zouden gaan deinen.

Hebben ze gelijk? Het halfjaartje sinds de muntunie begin dit jaar officieel van start ging is natuurlijk veel te kort om conclusies te trekken – hoewel de facto de muntunie al ruim een jaar functioneert sinds de deelnemers bekend werden en hun munten aan elkaar werden vastgeklonken. Maar de ontwikkelingen tot nu toe geven aan dat Euroland, de gezamenlijke economie van de elf euro-landen, op zijn minst niet aan homogeniteit gewonnen heeft.

Op basis van de prognoses voor de economische groei in 1999 tekende zich al een driedeling af in Euroland. Relatief kleine, snel groeiende economiën, zoals die van Ierland, Finland, Spanje en Portugal, bevinden zich aan de buitenring. Een middenpositie is er voor Frankrijk, België en wie weet ook Nederland. En het hart van Euroland toont een bijna-stagnatie in Duitsland en Italië, die samen ruim de helft van het economische gewicht van Euroland bepalen. De Duits-Italiaanse helft van de EMU groeit volgens verwachting met nog geen 1,6 procent, de rest van Euroland groeit met 2,7 procent in 1999.

Terwijl in de rest van Euroland de tekenen wijzen op een opverende economie, wezen donderdag twee cijfers nog eens op de Duits-Italiaanse achterstand. In Duitsland liet de IFO-index, de toonaangevende conjunctuurindicator, over april een waardedaling zien van 90,2 naar 89,7. Over de maand ervoor was de IFO-indicator juist, na tien maanden van teruggang, eindelijk weer gestegen, en de meeste economen hadden voor april een verdere stijging naar 90,5 verwacht.

In Italië bleek de orderontvangst van de industrie in februari met 9,4 procent gedaald, hetgeen de kans op een daadwerkelijke recessie aanmerkelijk heeft vergroot. Voor Italië werd al een magere groei van 1,4 procent verwacht.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) besteedde er deze week kort aandacht aan in zijn jongste Economic Outlook. Die verklaart de divergentie in Euroland voornamelijk uit het feit dat de exportsector van zowel Italië als Duitsland veel gevoeliger is gebleken voor de vraaguitval door de Azië-crisis.

Maar ook stipt de OESO aan dat zowel Italië als Duitsland een achtergestelde regio binnen de grenzen hebben, respectievelijk Zuid-Italië en Oost-Duitsland. De achterstand van die gebieden is structureel en werkt ,,remmend op het aanpassingsvermogen van de gehele economie''.

Die constatering is interessant. Twee muntunies, de eerste sinds de vorige eeuw, en de tweede sinds 1989, waarbinnen de minder presterende regio er ondanks forse inkomensoverdrachten niet in slaagt om zich aan de betere op te trekken. Nu afwachten of de huidige divergentie in Euroland hetzelfde karakter krijgt.

JOSPINPagina 19