De rotzak in de aardige tropenmens

Brazilianen behoren tot de vrolijkste, liefste en meest behulpzame mensensoort die ik ooit heb ontmoet. Ze vragen hoe het met je gaat, kloppen op je rug, zingen er soms bij, en wijzen je de weg tot je er helemaal bent. Compleet anders wordt het als ze aan het werk zijn. Dan verandert deze vriendelijke tropenmens als bij toverslag in een botte rotzak.

Miljoenen Brazilianen slijten elke dag weer urenlang hun benen in rijen voor belastingkantoren, banken, ziekenhuizen, of waarvoor je al niet meer in de rij moet staan. Eenmaal aan het loket worden ze afgesnauwd, genegeerd, en van het kastje naar de muur gestuurd. De rijken hebben daarom mensen in dienst die tegen betaling deze last op zich nemen. De gewone mens moet pikken en slikken. En dat is 90 procent van de bevolking.

Maar je hoort nooit geschreeuw. Nooit iemand die een ambtenaar eens met zijn hoofd door het loket trekt of een verpleger tegen de grond slaat. Brazilianen blijven vriendelijk – als ze níet werken. Want zodra ze moeten werken kan de wereld ze gestolen worden.

Daarom zijn ziekenhuizen in Brazilië de ergste plaats waar je als niet-werker kan vertoeven. Je voelt je toch al niet lekker en bent dan ook nog eens overgeleverd aan de grauwen en snauwen van degenen die daar wél werken en je het liefst zo snel mogelijk in rook zien opgaan.

Een hulpverpleger in het Salgado Filho-ziekenhuis van Rio pastte deze moraal wel erg letterlijk toe. In drieënhalve maand bleek hij meer dan 130 patiënten de wereld uit te hebben geholpen. Hij trok zuurstofmaskers los en gaf injecties die patiënten een hartstilstand bezorgden. Van januari tot half mei steeg het aantal doden op zijn afdeling met 500 procent.

Nu deed de hulpverpleger dit niet alleen uit professionele lamlendigheid. Het leverde hem ook een aardig centje op. Begrafenisondernemingen betaalden hem een percentage voor elke dode die hij aanleverde. `Als er geen doden zijn, dan máák ik ze wel', moet de hulpverpleger hebben gedacht.

En zo gebeurde het dat Maria da Penha (42) plotseling stierf aan een gebroken been. Marieta da Conceiçao (64) stierf een dag voordat ze naar huis mocht, en de zwangere Alicia de Quieroz (23) stierf met kind en al een paar uur nadat ze met krampen was opgenomen. Honderdeenendertig mensenlevens. Honderdeenendertig begrafenissen. Elk familielid kon getuigen dat het de hulpverpleger was die de doden na het overlijden naar de begrafenisonderneming bracht.

,,We zagen wel een toename van het aantal doden'', moppert de ziekenhuisdirecteur. ,,Maar als ik er vanuit moet gaan dat mensen moorden, kan ik net zo goed overal videocamera's ophangen.'' Ook de verpleegsters en artsen van de afdeling weigeren het monsterverbond van `werkenden-onder-elkaar' te doorbreken. ,,Niemand heeft iets gezien, nooit iets vermoed'', zegt het afdelingshoofd met zijn handpalmen naar boven.

Het opmerkelijke is nu dat deze hele geschiedenis in Brazilië geen monster heeft voortgebracht, maar een heldin. De aandacht gaat niet uit naar de moordende verpleger, maar naar de vrouw die de `moed' heeft gehad hem aan te geven. Geen directrice of arts, maar een `simpele' werkster.

De vrouw maakte sinds drie maanden de afdeling van de betreffende hulpverpleger schoon. Ze zag hem vaak in zijn eentje injecties uitdelen. Een keer zag ze hem op verdachte manier over een bed gebogen. Even later was de patiënt dood. De schoonmaakster liep met het verhaal naar haar superieuren.

,,Ik ben helemaal niet zo speciaal hoor'', verdedigt de heldin zich. ,,Ik zou het een volgende keer misschien weer doen. Maar alleen als ik wist dat er niet opnieuw zoveel trammelant van zou komen als nu.'' Ze zegt dat ze bang is voor bedreigingen. Ook al heeft ze die niet ontvangen. Toch is ze maar met haar kinderen onder gedoken. Ook wil ze niet terug naar het ziekenhuis. ,,Want daar zal iedereen me met de nek aankijken.''

In Brazilië kan de faam van de werkster echter niet meer stuk. ,,Een ware heldin'', analyseert ook antropologe Regina Novaes. ,,Ze heeft de moraal uitgedaagd die zegt: wie ben ik om me daarmee te bemoeien? Ze heeft het idee getrotseerd dat je op het werk beter alles kunt afschuiven. Uit conformisme of uit angst voor straf. Deze vrouw is een revolutie!''