BESCHERMING VAN WEIDEVOGELS GEEFT DUBBEL AANTAL KUIKENS

Zo'n tienduizend melkveehouders in Nederland doen aan weidevogelbescherming. Vrijwilligers uit de buurt plaatsen nestbeschermers of ze markeren de nesten met stokken, zodat de boeren er omheen kunnen maaien en bemesten. Een vorige week uitgekomen rapport van SOVON Vogelonderzoek Nederland noemt de maatregelen `zeer effectief'. In gebieden met weidevogelbescherming produceren broedparen bijna twee maal zoveel kuikens als in gebieden zonder.

Vogelliefhebbers volgden twee tot drie broedseizoenen het lot van de eieren in nesten van vooral de Scholekster, de Kievit, de Grutto en de Tureluur. Ze deden dit in twaalf beheerde gebieden en twaalf nabijgelegen niet-beheerde landbouwgebieden van elk zo'n honderd hectare. Van de Kievit bijvoorbeeld hadden de vrijwilligers totaal zo'n 1135 nesten gevolgd. Op onbeheerde weilanden bleek een broedpaar gemiddeld 1,88 kuikens te krijgen; in beheerde weilanden kregen ze er 2,66. De Tureluren, waarvan totaal zo'n 150 nesten zijn gevolgd, produceerden gemiddeld 0,76 kuikens in onbeschermd en 2,5 in beschermd gebied. Dodelijk voor de legsels zijn maaien, ploegen, zaaien, eggen en het injecteren van mest. Zonder bescherming overleeft slechts 5 tot 25 procent van de legsels; met bescherming meer dan 80 procent.

De verhoogde kuikenproductie is niet zonder meer voldoende om de stand van bovengenoemde vier vogels op het gewenste peil te krijgen. De beheersmaatregelen zijn immers alleen nog gericht op bescherming van de nesten en niet op die van de (beweeglijke) jongen. Uit een andere SOVON-studie in Aarlanderveen blijkt het nieuwe, zogeheten `ruime jasbeleid' goed te zijn voor de jongen. Hierbij zorgen de boeren ervoor dat gemaaide percelen worden afgewisseld met ongemaaide `vluchtpercelen'. Sommige jongen, zoals die van Kievitten, vinden makkelijk voedsel in gemaaid gras. Andere, zoals die van Grutto's, verkiezen juist ongemaaid gras. Boeren zouden daarnaast vóór het maaien of eggen stokken met plastic zakken kunnen plaatsen om de vogels te waarschuwen.

De SOVON-studie is een van de eerste waarin het effect van agrarisch natuurbeheer degelijk zijn onderzocht. Twee maanden geleden stelde een rapport van de Landbouwuniversiteit Wageningen dat in de Utrechtse polders Maarsseveen en Westbroek agrarisch natuurbeheer niet effectief is geweest. De onderzoekers vergeleken één seizoen het vóórkomen van vogels, planten en insecten in zeven beheerde en in zeven niet-beheerde weilanden en constateerden geen verschil. Op dat rapport kwam veel kritiek. De schaal zou te klein zijn om iets te kunnen zeggen over de vogelstand. Bovendien zou zijn gekozen voor een onderzoeksgebied waar van nature al weinig vogels voorkomen en waar de overheid dus beter geen beheersovereenkomsten had kunnen afsluiten.

(Marianne Heselmans)