3-D-SPOREN TONEN BEWEGINGSMECHANISME VAN DINOSAURIËRS

Voetsporen van talrijke soorten sauriërs zijn veelvuldig aangetroffen, maar hun interpretatie was vaak moeilijk, omdat de sporen vaak op een relatief harde ondergrond waren achtergelaten. Zo meenden bepaalde onderzoekers in de sporen van sommige van de op vier poten rondlopende dinosauriërs grote gelijkenis te herkennen met die van loopvogels. Dat zou dan een extra argument opleveren voor de afstamming van de vogels, als een uit de sauriërs afgesplitste tak.

Prachtig bewaarde sporen van dinosauriërs die zo'n 200 miljoen jaar rondliepen in Oost-Groenland, geven echter een heel ander beeld te zien (Nature, 13 mei). Dat beeld berust voor een deel op het feit dat de sporen werden achtergelaten in sedimenten met sterk uiteenlopende `zompigheid'.

Bij vierpotige dinosauriërs was de `kleine' teen zo sterk gereduceerd dat hij nauwelijks of niet meer te onderscheiden was. De `grote' teen was kort en was opgehangen aan het tweede middenvoetsbeentje, midden onder de voet; bij terapoden die meer op vogels lijken zit de grote teen min of meer aan de achterkant van de voet. Bij de eerste vogel, Archaeopteryx, was de grote teen zelfs opponeerbaar met de andere tenen. Bij verdere evolutie leidde dit bij de vogels tot de klauwen zoals we die nu kennen. De plaats van de grote teen is daarom vaak gebruikt als een criterium om vogels van andere terapoden te onderscheiden.

Bij de in Groenland gevonden sporen blijkt de `grote' teen bij het neerzetten vogelkenmerken te vertonen, terwijl zich bij het ophalen van de voet juist de van andere terapoden bekende kenmerken voordoen. Analyse van de sporen wijst uit dat dit komt doordat de dieren hun tenen bij het optrekken van een poot naar binnen bogen. Met hun ingetrokken tenen werden hun voetindrukken langer naarmate de ondergrond drassiger was; ze konden dan kennelijk gemakkelijker `waden' zonder hun poten rechtomhoog uit de bagger op te trekken. Vogels zoals kalkoenen blijken bij het rennen door modder precies hetzelfde te doen.

De hiel van de onderzochte sauriërs zat wat lager dan bij recente vogels. Dat wijst erop dat ze krachtiger dijbenen hadden. Zo zijn er op basis van de afdrukken meer anatomische gegevens te reconstrueren. Met computerbewerkingen konden de onderzoekers zo overeenkomsten en verschillen met de beweging van recente loopvogels vaststellen en visualiseren. De overeenkomsten blijken veel groter dan de verschillen, wat ook weer ondersteuning geeft aan de nog steeds niet door alle deskundigen onderschreven hypothese dat de vogels van sauriërs afstammen. (A.J. van Loon)