Vrede stichten

Iedere nieuwe wereld gaat na verloop van tijd weer op de oude lijken. Deel 20 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Europa.

Zodra het woord valt, wordt de desinteresse bijna tastbaar. Het gevoel is algemeen: de politici moeten steeds opnieuw vaststellen dat Europa niet steeds maar niet leeft bij de mensen. Zonder twijfel is de Europese eenwoording de grootste politieke omwenteling sinds de Tweede Wereldoorlog, maar het zou fijn zijn als je er ook iets bij zou voelen. Dat Europa belangrijk is, is er nu wel afdoende bij je ingehamerd; maar het idee van een verenigd Europa wil in je hoofd maar geen vast vorm aannemen. Het blijft een vage abstractie, zoiets als de ouderdom -onvermijdelijk, maar je hebt er het liefst zo lang mogelijk niets mee te maken.

De Europese gedachte; het klinkt imiddels al bijna net zo nostalgisch als het verheffen van de arbeidersklasse.

In zijn bijtende roman Europa beschrijft de Engelse romancier Tim Parks de hopeloze tocht van een groepje buitenlandse taalleraren en hun studenten van Milaan naar het parlement in Straatsburg om een petitie aan een comissie aan te bieden. De hoofdpersoon is geen goede Europeaan: hij is een aan de kant gezette minaar en wordt verteerd door agressie en haat jegens zijn medemensen, en zichzelf. In zijn eigen hoofd ageert hij doorlopend tegen de afvlakkende sentimenten die het moderne leven in zijn greep houden, de abstracte algemeenheden, het valse sentiment van een maakbare menselijkheid. Eenmaal in Straatsburg beseft hij des te meer dat het Europese ideaal geschraagd wordt door angstvalligheid en wezenloosheid: de vlaggen van de verschillende landen staan in alfabetische volgorde, om geen enkel land reden tot rancune of misplaatste trots te geven. Wanneer hij in diepe wanhoop over zijn eigen mislukte leven de kapel van het parlement binnenvlucht, treft hij een nietzeggende ruimte aan met allerlei abstracte godsdienstige symbolen, van alle geloven een beetje een religieuze Europudding, een beetje zoals de cinematografische co-producties die met Europees geld worden gemaakt. Een en al goede bedoeling. Van alles een beetje, tot het nergens meer op lijkt.

Na de catastrofe van de Tweede Wereldoorlog moest er in Europa vooral veel opgegeven worden, om herhaling te voorkomen. Het nationalisme zou rigoureus aan de kant worden geschoven als een fossiel van onverlichte tijden. Weg met het benepen eigenbelang, zowel op politiek als economisch gebied. Samenwerking was het toverwoord, gemeenschap het trefwoord. Wanneer de landen van Europa niet langer meer naties zouden zijn, met hun foute trots en hun lelijke egoïsme, dan zouden ze elkaar kunnen omarmen en, zo innig verstrengeld, zou het nooit meer oorlog kunnen worden.

Dat was de Europese gedachte. Hij werd verkondigd met evangelische bevlogenheid. Geen oorlog meer, vreedzame samenwerking op alle gebieden, een pastorale idylle in een post-industriële samenleving. Je kon een politicus niet hoger prijzen dan hem een Europeaan in hart en nieren te noemen.

Een brave nieuwe wereld. Om een goed Europeaan te zijn, moest je vooral een heleboel dingen niet zijn. Niet uitgesproken, niet te individueel, niet te eigen, niet agressief, niet confronterend, niet trots, niet te particulier, niet te eigenzinnig: stop al deze negatief geformuleerde eigenschappen bij elkaar en je hebt het Europese parlement in zijn meest ideale vorm. Geen wonder dat het woord maar geen vlees wilde worden.

Wacht maar tot de burger de euro in zijn zak heeft, zeggen de Europa-bevlogen politici nu, dan gaat hij ineens heel erg Europees denken. Wanneer zijn hele economisch bestaan in het teken staat van een gemeenschappelijke munt, dan zal hij ook geneigd zijn zichzelf in een supranationaal licht te zien. Geen bindmiddel zo krachtig als de economie. Geen identiteit zo sterk als een financiële. Het Europese ideaal valt pas te verkopen als de burger ook zelf iets te verhandelen heeft.

Het oude idealisme is nu opvallend afwezig in hun betogen. Het gaat niet langer over betere mensen, aleen nog maar over rijkere. In een ideologisch ontkerstende tijd benadrukken de politici nu vooral de voordelen van een klinkend harde euro. En woorden die ze gebruiken klinken opeens helemaal niet zachtmoedig Europees meer: een sterke Europese munt, tégen de dollar en de Aziatische economie. Krachtig, handhaven, veroveren, een bastion opwerpen; het is geen taal van een zachtmoedige gemeenschap, het is de taal van de nationalistische staat, die zich sterk maakt tegen de buitenwereld.

Toen een paar jaar geleden de oorlog in Bosnië uitbrak, leek het alsof de klok plotseling honderd jaar was teruggezet. Hier stak plotseling al dat achterlijke nationalisme, dat in-en-in provinciale bloed-en-bodem gevoel de kop op, met wreedheid die sinds de Tweede Wereldoorlog voor onmenselijk werd gehouden. En dat in Europa, hoorde je steeds weer vol ongeloof, in Europa. Er zat iets wanhopig tegensprakelijks in. Al die afgeschafte sentimenten, al die doodverklaarde retoriek, dat middeleeuwse stammengevoel, zo helemaal tegen de geest van Straatsburg en Brussel, daar had het bijna-verenigde Europa geen antwoord op.

Nu met de oorlog in Kosovo is dat antwoord er wel. Net als in het geval van de euro hebben de Europese politici zich bekeerd van idealisme tot realisme. Servië wordt gebombardeerd uit humanitaire motieven. Daarmee rekent Europa tegelijkertijd af met zijn eigen vrede-op-aarde-door-gemeenschap-retoriek.Tegenstanders vinden dat onverteerbaar (,,Je sticht geen vrede door het gooien van bommen!'').

Jarenlang gevoed met de vredige belofte van de Europese gedachte, zien ze nu enkel hypocrisie en verraad. Dat is ook begrijpelijk, want tussen de idealistische retoriek van het nieuwe Europa en de economische en politieke machtspolitiek gaapt een almaar wijder wordende kloof. Beloofd was een, nogal abstracte, hemel op aarde. En nu beantwoordt Europa agressie met gelijke munt terwijl we nog zo hadden afgesproken dat we beter zouden zijn.

Een naïeve gedachte, lijkt me. Het probleem van iedere nieuwe wereld is dat hij na verloop van tijd onherroepelijk weer op de oude gaat lijken. Het idee van een gemeenschap zonder machtspolitiek is onhoudbaar gebleken. De stralende Europese gedachte van na de oorlog is de afgelopen jaren radicaal getransformeerd. De Europese gemeenschap zou voorgoed een einde maken aan de misstappen van de nationale staat. Nu het idealisme is vervlogen, wordt de werkelijkheid onthuld: Europa krijgt nu zelf steeds meer trekjes van een nationale staat. Haar identiteit wordt bepaald door geld en macht.

Alles verandert, alles blijft hetzelfde.

Het tragische is dat Europa pas als nationale staat voor het eerst zoiets als een gezicht zien. Het is haar ware gezicht, want een ander verenigd Europa is er niet.