Vorm van de chaos

`Une Hollandaise, de bon coeur et de noble esprit', noemt Jules Michelet haar in zijn Histoire de la Révolution Française. Etta Palm (1743-1799), die zich op eigen gezag barones d'Aelders placht te noemen, was een van de feministen die tijdens de Franse Revolutie vergeefs hebben getracht de burgerrechten ook voor de vrouw af te dwingen. Haar moment suprême kwam op 4 maart 1792, toen zij met dat doel de Assemblée Législative mocht toespreken. Geboren in Groningen, kwam zij al in 1773 naar Frankrijk, nadat aan haar huwelijk met Christiaan Palm een eind was gekomen. Als protégée en maîtresse van diverse hooggeplaatste heren had zij zich in de mondaine kringen van het Ancien Régime een plaatsje verworven. Maar pas de Revolutie, die alles openbrak en mogelijk leek te maken, slingerde haar de geschiedenis in. Met als hoofdpersoon deze avonturierster, die ook geheime betrekkingen onderhield met de Hollandse raadspensionaris en met de Pruisische ambassade, heeft P.F. Thomése zijn tweede roman Het zesde bedrijf geschreven. Geen biografie, evenmin een vie romancée, maar een echte roman, die zich concentreert op het jaar 1792, toen de Revolutie in een stroomversnelling raakte en Frankrijk van een monarchie in een republiek veranderde.

Het verleden wordt door Thomése op een eigenzinnige manier geactualiseerd, passend bij zijn ironisch talent, dat in deze roman voortdurend heen en weer pendelt tussen distantie en intimiteit. Etta Palm is een personage dat je bijna kunt aanraken, zo levendig en direct komt ze je voor ogen te staan, in vaak half afgemaakte zinnen, gevolgd door de van Céline bekende drie puntjes. Tegelijkertijd biedt de roman een visie op de Franse Revolutie, die het perspectief van de personages te buiten gaat.

Revoluties inspireren, zeker achteraf, bijna altijd tot gemengde gevoelens, en zo is het ook bij Thomése, die geen twijfel laat bestaan over de zwarte keerzijde van de indertijd zo hoopvol omarmde vrijheid. Als redeloos geweld dient deze keerzijde zich aan, in de oorlog (die in de loop van 1792 uitbrak), maar ook in het dagelijkse leven.

In de gezellige drukte van het Palais Royal wordt `een grappige dikkerd die voor een of andere markies werd aangezien' voor de `lol' in elkaar geslagen. Tijdens een voorstelling in de Opéra stort het gepeupel zich onverhoeds op musici en spelers. Etta's dienstmeisje wordt verkracht door een stel gardisten, en zelf ontsnapt zij ternauwernood aan een libertijnse kolonel, die haar feminisme naar eigen smaak heeft geïnterpreteerd - als een invitatie tot gratis seks.

Etta walgt van de `orgie van bloedige wellust', waarin zij de Revolutie ziet veranderen. Voor haar betekent de Revolutie iets heel anders: een mogelijkheid om eindelijk te worden wie zij denkt te zijn, iemand van importantie, iemand die ertoe doet. Vrijheid is in haar ogen geen vrijbrief voor willekeur en bandeloosheid, maar een middel tot `verheffing'. Chaos en geweld moeten juist beteugeld worden. `Onderwerping' en `beheersing', daar komt het volgens haar op aan, gedreven als zij wordt door een - van de Jakobijnse voorman Hérault de Séchelles afgekeken - `theorie van de ambitie'.

Dat op deze ambitie geen zegen rust, wordt al meteen met een knipoog naar de goede verstaander duidelijk gemaakt, wanneer Hérault in de Assemblée Etta negeert, na door haar in een opwelling (ze kennen elkaar niet) te zijn gegroet. Broederschap is mooi, maar in de praktijk staat iedereen er alleen voor. Dat is wat Etta steeds meer moet ondervinden. Alles wat zij in de jaren van het Ancien Régime heeft opgebouwd, wordt langzaam maar zeker afgebroken. Zelfs haar dienstmeisje raakt zij kwijt, met als gevolg dat zij een ongemakkelijke nacht in haar korset moet doorbrengen, niet in staat zelf de linten los te knopen.

Voor solitaire ambitie is kracht nodig, kracht zoals Julien Sorel die bezit in Stendhals Le rouge et le noir. Maar Etta is, bij al haar bravoure en haar hang naar grootse daden, een vrouw met zwakheden. Door de veel jongere volksvertegenwoordiger Basire laat zij zich, uit hopeloze verliefdheid, meer dan eens vernederen. Bovendien ontbreekt het haar aan `solide kapitaal'. Geldgebrek dwingt haar zich in duistere zaakjes te begeven, waarbij zij voor chantage en verraad niet terugschrikt. Net als de Revolutie blijkt ook de ambitie een zwarte keerzijde te kennen.

Dankzij deze mengeling van ambitie, idealisme en een vaak schaamteloos opportunisme wordt Etta wèl een zeer overtuigend personage. Aandoenlijk ook, zij 't minder `goed' van hart en `nobel' van geest dan bij Michelet: zelfs op de meest pijnlijke momenten laat zij de moed niet zakken. Hoogstens stelt zij tijdelijk haar eisen wat lager, om de volgende keer met open ogen in dezelfde val te lopen.

De grootste val blijft de Revolutie. Zonder dat zij er iets tegen kan doen, wordt Etta door de gebeurtenissen ingehaald. Ook met de beste bedoelingen lukt het haar niet het revolutionaire tempo bij te benen. Wanneer zij in de Assemblée voor de rechten van de vrouw opkomt, zijn ieders gedachten al bij de komende oorlog en wordt zij onverbiddelijk afgehamerd. Maar in het verleden is zij evenmin nog op haar plaats, zoals blijkt in Holland, waar zij op audiëntie bij de stadhouder en zijn Pruisische echtgenote met haar democratische retoriek precies de verkeerde toon aanslaat.

De revolutie eet haar eigen kinderen op, hoor je vaak. Wat Etta overkomt, is echter iets anders: zij valt in zekere zin uit de geschiedenis en komt, zonder het zelf volledig te beseffen, terecht in een soort vacuüm tussen wal en schip, dat zich terloops aankondigt doordat Thomése zijn altijd zeer beweeglijke taferelen soms ineens laat verstillen en wegzakken in duisternis. De dynamiek van de historie is omgeven door vergankelijkheid.

Op een wel heel wrange manier wordt ons dat ingewreven in de epiloog, een beschrijving van Etta's laatste levensdagen in Den Haag, waar zij op afstand wordt begeerd door een benepen procureur (symbolisch De Bas geheten) die opgewonden raakt van alleen al het woord `demi-mondaine'. Wanneer hij haar voor het eerst daadwerkelijk ontmoet, als lijk op haar sterfbed, is zijn ongebroken lust niet meer dan een karikatuur van wat Etta altijd heeft verlangd.

`Het zesde bedrijf', heeft Thomése deze epiloog genoemd, naar een gedicht van Wislawa Szymborska - het bedrijf dat eigenlijk niet meer hoort bij de klassieke tragedie (die immers uit vijf bedrijven bestaat). Het bevat, in de woorden van Szymborska, de `wederopstanding op de slagvelden van het toneel'. De gestorven Etta komt weer tot leven, in de steriele wellust van de procureur, maar de ware `wederopstanding' vindt natuurlijk plaats in de roman van Thomése.

Over Etta wordt ergens gezegd: `Ze kon de vorm niet vinden, en vorm was alles'. Dat laatste is een idee dat Thomése vaker heeft verdedigd, vorig jaar nog in De Revisor, toen hij van leer trok tegen een `narcistische samenzwering' die van literatuur uitsluitend `echtheid' en `toegankelijkheid' zou verlangen. Het belang van de `vorm', dat hij daar tegenover plaatste, maakt begrijpelijk wat hij in Etta Palm heeft gezien.

De keuze voor dit personage verraadt geen heimelijke feministische sympathieën. De Etta Palm die Thomése heeft gecreëerd, bevestigt eerder zijn eigen idee. `Een dame moest zichzelf zien uit te vinden', laat hij haar denken. Dat wil zeggen: Etta's leven is vorm, een vorm die de hele roman door wordt blootgesteld aan de chaos van de Franse Revolutie. De verzoening van `Waarheid' en `Werkelijkheid' was het doel van de Revolutie, maar, zo lijkt Thomése via zijn op de tast opererende hoofdpersoon te willen zeggen, dat kan alleen in de vorm.

De esthetiek krijgt het laatste woord. Alleen de kunst biedt bescherming tegen de chaos die het leven is. En het wonder dat daarvan het gevolg kan zijn, brengt Thomése in Het zesde bedrijf tot stand: wanneer de chaos werkelijk wordt beteugeld, stroomt de kunst vanzelf vol met tragisch, ontroerend en niet zelden dolkomisch leven.

P.F.Thomése: Het zesde bedrijf. Querido. 277 blz. ƒ39,90