Voor val Miloševic is meer nodig dan wat protesten

Uit Servië komen berichten over protesten tegen het beleid van Miloševic. De NAVO reageert verheugd: het ziet de kansen keren. De vreugde lijkt evenwel voorbarig.

De ouders van soldaten uit Kruševac in het zuiden van Servië protesteren tegen de legering van hun zoons in Kosovo. Die zoons deserteren en masse en keren naar huis terug. De burgers van de stad Aleksandrovac gaan kwaad de straat op. Lokale leiders in Cacak geven Slobodan Miloševic de schuld van de oorlog. In Niš wordt gesputterd tegen Miloševic en de Montenegrijnse president Milo Djukanovic zei gisteren dat Miloševic op weg is naar ,,een lamentabel einde''.

De NAVO is blij met al deze signalen: het is het begin van het eind van Miloševic, zo kunnen de reacties van het bondgenootschap worden samengevat. In het begin van de oorlog stonden de Serviërs als één man achter het regime. Nu knagen de twijfels, slaan de meningen om en beginnen soldaten weg te lopen.

Staat Miloševic op vallen? De wens lijkt de vader van de gedachte: om Slobodan Miloševic ten val te brengen is meer nodig dan wat boze protesten van verontruste ouders of oppositiepolitici.

Verontruste ouders van recruten zijn niet nieuw in Joegoslavië. Ze zijn er geweest sinds de desintegratie van 1991 uitliep op bloedige oorlogen in Kroatië en Bosnië. Telkens weer protesteerden moeders zonder dat dat enige consequentie had, noch voor de inzet van hun zoons, noch voor het bewind. De desertie van soldaten is onheilspellender, maar Westerse deskundigen hebben nog geen serieus signaal van demoralisatie van soldaten of politiemannen in Kosovo kunnen ontdekken en `het geval-Kruševac' lijkt apart te staan: de recruten uit die stad namen de benen na berichten over mishandeling van hun demonstrerende ouders door de politie. De NAVO probeert tot desertie aan te zetten door pamfletten met oproepen in die richting af te werpen en zegt dat veel reservisten en recruten onderduiken om de dienst te ontlopen. Aan de andere kant blijkt evenwel tweederde van de opgeroepen reservisten gewoon op te komen.

Ook met boze burgemeesters en notabelen kan Miloševic leven. Steden als Niš en Cacak zijn sinds de fel omstreden verkiezingen van eind 1996 in handen van de oppositionele Democratische Partij. Die burgemeesters en notabelen zijn sowieso tegen Miloševic, al jaren, dus hun protesten zijn niet per se een signaal van kerende kansen of kantelende meningen. De Democratische Partij stelt landelijk zelfs in vredestijd weinig voor en is niet in het parlement vertegenwoordigd. Al met al vallen de protesten – van verontruste ouders en andere opposanten – volledig in het niet bij de massa-betogingen van honderdduizenden burgers in Belgrado en andere Servische steden in de winter van 1996-1997, die Miloševic dwongen tot ernstige concessies, maar die niet leidden tot zijn val. Uiteindelijk hebben die massa-protesten niets opgeleverd.

Het door zijn criticus Djukanovic geregeerde Montenegro is een lastiger probleem voor de Joegoslavische leider. Hij weet dat hij zich niet zonder bloedvergieten van Djukanovic kan ontdoen en moet dus met de constante kritiek uit Podgorica zien te leven. Maar aan de andere kant wordt Djukanovic meer bedreigd door Miloševic dan omgekeerd, al was het maar door de aanwezigheid van het Joegoslavische leger in Montenegro.

Nog kan Miloševic in de door zijn bewind volledig gecontroleerde media worden afgeschilderd als de man die de Joegoslavische territoriale integriteit met succes verdedigt, de NAVO weerstaat en Kosovo voor de Serviërs heeft gered. (,,Het is een eer voor ons de aanvallen van zo'n machtig bondgenootschap af te slaan'', zei hij vorige maand tegen het Slowaakse blad Praca). Voor veel Serviërs verwezenlijkt hij zelfs een oeroude Servische droom door Kosovo te ontdoen van de zeer onbeminde Albanezen. Het ziet er niet naar uit dat de meesten van die Serviërs fundamenteel anders over hem zijn gaan denken dan een paar weken geleden.