Somnium Harryi

De schrijver nipt aan zijn glas en neemt nog een hapje kaviaar. In de verte ziet hij de tv-presentator en drie critici praten, maar hij kan ze niet horen. Toch weet hij precies wat ze zeggen. De tv-presentator heeft geen van de boeken gelezen en daarom leest hij trouw de vragen voor die zijn redactie voor hem op een papiertje heeft geschreven.

De schrijver vraagt zich af welk brandend vraagstuk ze nu bij de kop hebben. Hij gokt op het verschijnsel van de ontlezing — altijd goed om daar je bezorgdheid over uit te spreken. Als dat onderwerp is uitgeput, zal het wel gaan over de relatie tussen schrijven en eten, of zoiets. Luister! Drie critici zeggen op te komen voor het moeilijke boek, terwijl ze over eten praten. De schrijver lacht heimelijk. Hij weet het. Het is de jaarlijks terugkerende onbenulligheid, die hij zich alleen maar laat aanleunen omdat er een smak geld aan verbonden is.

De schrijver kijkt de zaal eens rond. Hij voelt zich nu veel rustiger dan de vorige keer toen hij verreweg het beste, het grootste en het dikste boek had geschreven, maar de prijs ging toen naar... verdomd, hoe heette die jongen nou ook al weer? Even pijnigt de schrijver zijn geheugen, maar er komt geen naam bij hem boven. Ach, wat maakt dat ook uit?

Toch is de schrijver er lang niet zeker van dat het nu wel zal lukken. Het boek dat deze keer genomineerd is, is lang niet zo goed als het vorige, dat weet hij ook wel. Een beetje genetica, een beetje inhaken op de angst voor het klonen, dat alles vermengd met een snufje kabbalah. Hij wil niet zeggen dat hij dit keer niet zijn best heeft gedaan, maar het is gewoon wat minder goed gelukt dan de vorige keer.

De schrijver denkt aan de juryvoorzitter, een bekend politicus. Zij zien elkaar met een zekere regelmaat, want de politicus is zogenaamd buitenlid van de Herenclub, waarvan de schrijver weer voorzitter is. Bij hun laatste ontmoeting hebben ze het onderwerp zorgvuldig vermeden, maar de politicus besefte stilzwijgend dat hier een belangrijke taak voor hem was weggelegd. Het charmante van deze politicus is, denkt de schrijver, dat hij, zoals de meeste politici, geen boeken leest. Dat maakt hem tegelijkertijd gevoelig en ongevoelig voor de mening van anderen.

De schrijver kruist een blik met zijn grote concurrent. Zijn vriend, de vijand. Er is iets van walging in de gezichtsuitdrukking van zijn concurrent, en de schrijver hoeft niet te raden naar het waarom. Afhankelijk te moeten zijn van een jury, waarvan hij de meeste leden veracht, dat is een toestand die fysiek niet langer uit te houden is dan één avond.

Uit zijn ooghoeken ziet de schrijver hoe de juryvoorzitter naar het katheder loopt. Daar ontvouwt de juryvoorzitter het juryrapport en begint voor te lezen. De schrijver hoort de afgesleten woorden die hij bij dit soort gelegenheden al zo vaak heeft gehoord: virtuoos, gedurfd, duizelingwekkend, erudiet, kosmopolitisch. Terwijl de spanning toeneemt, zegt de voorzitter dat ,,er niet aan te ontkomen viel om de nieuwe boeken af te zetten tegen de erkende hoogtepunten uit zijn vroegere oeuvre''. Dan neemt de voorzitter een pauze en schraapt de keel.

,,En de winnaar is...'', zegt hij. Veelzeggend kijkt de voorzitter rond. ,,En de winnaar is... Cees Nooteboom.''

De schrijver wankelt. Het is niet waar. Verdoofd staat hij op, maar het flitslicht om hem heen brengt hem weer bij zinnen. Hij moet de winnaar feliciteren als een man van eer, maar het lijkt wel of een mist van de feestzaal bezit heeft genomen. Hij begint te lopen, te hollen. Voor hem scheurt de vloer open en een kolkende rivier dreigt hem mee te sleuren. In de verte hoort hij het geblaf van aanstormende honden. Hij rent voor zijn leven, naakt, want zijn kleren zijn hem al van het lijf gerukt. Hij rent en rent, tot de hemel openbreekt in een verblindend licht. Hij schreeuwt.

,,Wat is er? Word wakker!'' De schrijver kijkt in het vriendelijke gezicht van een vrouw. Zij streelt zijn klamme voorhoofd. ,,Maar Harry'', zegt ze, ,,maak je geen zorgen over die prijsuitreiking van morgen. Heus, het komt allemaal dik in orde.''