Sjokkend naar het beloofde land

Mozes heeft duizenden jaren nadat hij het joodse volk uit de slavernij leidde, nog steeds niet te klagen over aandacht in film en literatuur. Maar Mozes was niet alleen. Shulamith Hareven – een van de eerste vrouwelijke Israëlische schrijvers die internationaal bekend werd maar hier nooit werd vertaald – bekijkt de uittocht uit Egypte en de eerste jaren in het beloofde land vanuit het perspectief van eenvoudige mensen, de figuranten in de film. Dorst bevat drie novellen, waarin de grote gebeurtenissen uit de bijbel zijn teruggebracht tot legenden of terloopse mededelingen. Als Mozes eens een wonder verricht (water uit een rots slaan) doet hij dat met een verveeld gezicht, om van het gemor af te zijn. Het harde leven in de woestijn wordt in schijnbaar eenvoudige bewoordingen zo overtuigend beschreven dat je er dorst van krijgt.

`De man die wonderen haatte' gaat over Eshkhar, een paar jaar voor de uittocht geboren als de onwettige zoon van een joodse dienstmeid. Als enkele joden op een nacht een wagen vol Egyptische eerstgeborenen hebben gedood – een wraakactie voor het doden van Eshkhars zwangere moeder en Harevens versie van de tiende plaag – vindt men het tijd te vertrekken. Dan begint een lange en schijnbaar doelloze zwerftocht door de woestijn. Als Eshkhars liefste vriendinnetje wordt uitgehuwelijkt, is hij wanhopig. Hij vraagt Mozes om raad, maar diens bewaker Jozua hoont hem weg: `Wij doen wonderen. Rechtvaardigheid is onze zorg niet.' Eshkhar gaat zwerven en merkt dat de woestijn helemaal niet zo onmetelijk is als beweerd wordt. Als hij op een dag in zijn eentje zomaar het beloofde land binnen loopt, vraagt hij zich af waarvoor Mozes' wonderen nodig zijn. De joden worden steeds armer en hongeriger. Van een diep verlangen naar het `voorouderlijke land' is weinig te merken. Na de wanhoopsdaad met het gouden kalf wordt het volk hardhandig tot de orde geroepen en sjokt lusteloos verder, totdat eindelijk het beloofde land in zicht komt.

`Profeet' laat zien hoe de joden langzaam thuis raken in het land. Ze worden door schade en schande wijs, maar hebben plezier in het leven. Ze hebben veel weg van de latere zionistische pioniers in Palestina. De heidense profeet Hivai uit de stad Gibeon heeft vreselijke geruchten gehoord over de krijgszuchtigheid van de joden. Maar als hij in een joodse nederzetting komt, treft hij armoedige nomaden aan die niet eens snappen dat je tent 's winters onder water loopt als je hem in het dal opzet. Het vrijmoedige gedrag van de vrouwen brengt hem in verwarring. Dat moord onder alle omstandigheden verboden is, gaat zijn begrip helemaal te boven. Toch vat hij sympathie op voor dit vreemde volk. Hij blijft bij hen wonen en leert hun de beginselen van de landbouw. Maar na zeven jaar voelt hij zich nog steeds niet opgenomen in de groep. Het vreemdste vindt hij de onzichtbaarheid van de joodse God. Hij zou Hem graag aanbidden. Hij doorzoekt alle tenten, maar God is niet te vinden. Hij wordt op heterdaad betrapt en moet de nederzetting verlaten.

In `Na de kindertijd' hebben de joden het nomadenbestaan achter zich gelaten. Terwijl ze het ene jaar nog als heidenen een vuur ontsteken om God om regen te smeken, kunnen ze het jaar daarop hun dorst al lessen door de aanleg van reservoirs en een irrigatiesysteem. Ze proberen in hun dorpen ook een maatschappelijke structuur op te bouwen, maar het valt niet altijd mee om te bepalen wat rechtvaardigheid is. Salu valt wat buiten de gemeenschap. Hij is als kind bijna door zijn vader vermoord. Tot afgrijzen van zijn dorpsgenoten. `Vandaag zegt iedere vlo: ik ben Abraham,' zeggen ze. Om te voorkomen dat hij zich aan zijn geiten vergrijpt, wordt er uit een dorp in de bergen een vrouw gehaald. Het paar is gelukkig, tot de geboorte van hun eerste kind. Salu, die zich al voor zijn huwelijk het lot van een onvruchtbaar Hittitisch meisje heeft aangetrokken, vindt het een daad van rechtvaardigheid haar zijn eerste kind te schenken. Het zijn de Hittieten zelf die het kind terugbezorgen, uit angst voor wraakacties. Salu's vrouw baart nog vele kinderen, maar het komt nooit meer echt goed tussen de twee. Na Salu's dood wijst zijn vrouw een goedbedoelde wens dat God altijd met haar mag zijn, van de hand: `ze had liever dat God uit haar buurt bleef.'

God is in Dorst opvallend vaak afwezig; het is vooral het meedogenloze landschap dat ontzag wekt. Hareven vindt met haar trefzekere taalgebruik de goede toon voor dit indrukwekkende, anti-heroïsche relaas over overleven en pogingen een rechtvaardig en menswaardig bestaan op te bouwen.

Shulamith Hareven: Dorst. De woestijntrilogie. Uit het Engels vertaald door Marja Hilsum.

Arena, 195 blz. ƒ34,90