Saul Steinberg: zo was het

Vader gaat met zijn zoontje naar de optocht. Ze zijn laat, het publiek staat al vijf rijen dik langs de kant. Vader tilt zijn kind op de schouders. Samen zijn ze niet lang genoeg om de zoon over de hoofden heen te laten kijken.

Dit is de eerste Steinberg die ik zag, in The New Yorker, denk ik, een jaar of veertig of nog langer geleden. Een cartoon, niet met Steinbergs uitgesproken lijnsignatuur maar wel getekend met zijn blik op het absurde. Het verhaal in de cartoon maakt je aan het lachen en het stemt je niet vrolijk. Wat heeft het zoontje gedacht en gezegd toen hij merkte dat de beste bedoelingen van zijn vader niet toereikend waren om hem de mooie optocht te laten zien? Wat heeft de vader gedaan toen hij ontdekte dat hij te klein was? Hoe heeft zich deze gebeurtenis in het leven van vader en zoon voortgezet? Hoe is Steinberg op het idee van dit dubbeldrama gekomen? Was zijn eigen vader misschien niet groot genoeg? Dat had ik hem graag willen vragen. Het had gekund; hij stond gewoon in het telefoonboek van Manhattan.

Het oeuvre van Steinberg heeft behalve de lijnsignatuur en het vakmanschap, of het meesterschap nog een constante. Wat hij tekent wordt verhelderd doordat hij het terugbrengt tot het wezenlijke. Daarvoor gebruikt hij de vergelijking, de verrassing. Dan komen de variaties op de verrassing.

Een goed voorbeeld is de verrassing van de handtekening die wordt gedragen door de eigenaar. Een dik kereltje torst een pompeuze constructie van gecalligrafeerd krulwerk op zijn schouders; een dichterlijk type draagt op beide handen een fragiele toren voor zich uit; er is iemand met een soort stormram van dikke strepen onder de arm; enzovoort.

Zo gaat het: als opgroeiend kind, zo tussen de dertien en de zestien, ga je je handtekening ontwikkelen. Dit bewijs van aanwezigheid op aarde, in de allerpersoonlijkste grafiek wordt steeds mooier: onleesbare krachtpatserij, messcherp in het oog snijdend, fijnzinnig gekriebel, lustige krullen. Dan is de handtekening voltooid. Zo zal de eigenaar voortaan aan het slot van zijn belangrijkste beloften verschijnen. Hij zet zijn handtekening niet meer. In de handtekening draagt hij zijn wezen, in de letters van zijn naam. De serie tekeningen die Steinberg ervan heeft gemaakt, is een openbaring.

Veel meer voorbeelden: Steinberg ontdekt dat het gezicht van de rijke bejaarden in Florida kan worden weergegeven in een samenstel van beverige lijntjes, dat de Amerikaanse auto's uit de jaren vijftig kadetjes op wielen zijn, dat de Lower East Side bestaat uit rechtop staande oude schoenendozen met ramen, dat geslaagde echtparen uit de middenklasse bestaan uit een man die van top tot teen rechthoekig is geworden terwijl de vrouw, met de moed der wanhoop, haar ronde lijnen heeft bewaard. In The Passport staat een serie tekeningen van de passage in Milaan. De serie laat zien dat Italianen mensen zijn die met elkaar staan te praten waarbij ze gebaren maken. Hij heeft een katalogus van Italiaanse gebaren getekend. De serie uit Parijs toont de metro voor de naoorlogse modernisering. Wie het gezien heeft, denkt: zo was het.

Daarmee kom ik op de andere kant van Steinberg. Hij is geen beeldende kunstenaar met de simpele empirische blik, d.w.z. niet iemand die - met behoud van zijn strikt persoonlijke talent - zich bepaalt tot afbeelden. Misschien moet je zijn mensen, landschappen, stadsgezichten eerst zelf gezien hebben, om daarna zijn visie te kunnen begrijpen. Misschien is hij een kunstenaar van 'het tweede gezicht'. Ik weet het niet zeker omdat ik bijna tot zijn tijdgenoten hoor. Veel van wat hij met de blik van het tweede gezicht heeft getekend, is verdwenen, maar voor wie dat alles in werkelijkheid heeft gezien, is het in essentie door hem vastgelegd.

Steinberg hoort tot de kunstenaars die de mensen leren kijken; behalve visueel plezier een extra opheldering geven, en daarmee een extra plezier: dat van de onthullende preciezie, de tweede herkenning. Graag had ik willen zien wat hij van Amsterdam had gemaakt in dit decennium.

De laatste jaren is zijn wereld er niet vrolijker op geworden. Mickey Mouse had zich met een kalashnikov bewapend - daarmee was eigenlijk alles al gezegd. Het wordt stil, aan het einde van de eeuw, dacht ik. Kienholz, Tinguely, Hermans, allemaal in feite horend tot dezelfde familie van de scherpziende ongrijpbaren. Laten we hopen dat er nu vlug een grote tentoonstelling komt, zodat we ons er nog eens van kunnen overtuigen dat de meester een röntgenportret van zijn tijd heeft getekend (en nog veel meer).