Robuuste overtuigingen

Toen Madeleine Albright nog in Belgrado woonde en Marie Jana Körbelova heette, werd de kiem gelegd voor haar opstelling in de oorlog over Kosovo. Ze was nog maar één jaar oud, het dochtertje van een in Joegoslavië gestationeerde diplomaat, toen Hitler haar vaderland Tsjechoslowakije binnenviel. De vermeende bondgenoten Frankrijk en Engeland keken lijdzaam toe, zoals ze kort daarvoor in München waren overeengekomen.

Met haar ouders, Josef en Mandula Körbel, ontkwam de jonge diplomatendochter naar Engeland, net voor de Tweede Wereldoorlog in losbarstte. Maar de geschiedenis van haar land liet haar niet los. Haar kijk op de wereld zou door het fiasco van de Westerse appeasement-politiek diepgaand beïnvloed worden, vertelde ze later.

Een dictator straffeloos zijn gang laten gaan kan rampzalige gevolgen hebben, was de les die Albright leerde. In de Kosovo-crisis stond ze daarom van het begin af aan veel minder gereserveerd tegenover een militaire aanval op Joegoslavië dan veel van haar generatiegenoten binnen en buiten het Amerikaanse kabinet. `Mijn ideeën zijn gevormd door München, die van het grootste deel van mijn generatie door Vietnam', stelde ze drie jaar geleden vast in The New York Times.

Albright is een meester in het formuleren van dat soort heldere, pakkende uitspraken – slagzinnen zijn het bijna. In toespraken en interviews heeft ze ook haar levensverhaal vaak in zulke trefwoorden samengevat. Na de vlucht voor de nazi's en terugkeer naar Praag en Belgrado kwam een tweede vlucht, deze keer voor het communisme. De emigratie naar Amerika, toen ze elf was, werd bekroond met haar benoeming, als eerste vrouw in de Amerikaanse geschiedenis, tot minister van Buitenlandse Zaken. Het is een onweerstaanbare mix: een leven verweven met de twee grote drama's van de twintigste-eeuwse geschiedenis, uitmondend in een echt Amerikaanse success story.

Toen president Clinton Albright eind 1996 voor Buitenlandse Zaken voordroeg, besloot Michael Dobbs, journalist van The Washington Post, op zoek te gaan naar de bijzonderheden van dat opmerkelijke verhaal. Al snel ontdekte hij dat de werkelijke geschiedenis van Madeleine Korbel Albright nog veel complexer en dramatischer was. Ze bleek uit een joodse familie te komen, die grotendeels is uitgemoord in de Holocaust. Drie van haar grootouders en zeker 23 ooms, tantes, neven en nichten stierven in de Duitse concentratiekampen. Albright, die door haar ouders katholiek was opgevoed, zei dat ze door de ontdekking van Dobbs volkomen verrast was.

In zijn onlangs verschenen, uitstekende biografie Madeleine Albright; A Twentieth-Century Odyssey betwijfelt Dobbs of Albright haar joodse achtergrond en het lot van haar familieleden écht niet kende. Hij maakt aannemelijk dat ze in 1967, toen ze voor het eerst in twintig jaar terugkeerde naar Praag, al op zijn minst aan het denken moet zijn gezet. Toen ontmoette ze een neef die Auschwitz had overleefd en die haar vertelde wat er met zijn, en dus ook haar, familieleden was gebeurd. In 1996 gaf het Tsjechische ministerie van Buitenlandse Zaken haar een dossier over haar ouders, dat alle twijfels moet hebben weggenomen.

De vraag of het voor Albrights functioneren als politicus iets uitmaakt of ze haar eigen geschiedenis nu wel of niet kende, beantwoordt Dobbs niet direct. Wel laat hij zien dat ze iemand is van sterke loyaliteiten. Haar ouders deden in de oorlog en daarna hun uiterste best om zich los te maken van hun joodse identiteit. In 1941 werden ze in Engeland officieel rooms-katholiek. Toen ze na de oorlog terugkeerden in Praag lieten ze de Umlaut in hun naam schrappen, omdat Korbel minder joods klonk dan Körbel. En later, in de Verenigde Staten, wilden ze vóór alles integreren en hun kinderen niet met het gruwelijke verleden belasten. Dobbs suggereert dat Albrights loyaliteit jegens haar ouders haar belette om hun keuzes en verhalen openlijk, of zelfs stilletjes, in twijfel te trekken.

Josef Korbel vond in zijn nieuwe vaderland, waar hij zich consequent Joe liet noemen, werk als docent internationale betrekkingen aan de universiteit van Denver. Als scholier adoreerde en imiteerde Madeleine haar vader. Toen hij deel uitmaakte van een commissie van de Verenigde Naties voor Kashmir, schreef zij over hetzelfde onderwerp een scriptie. Als hij een boek schreef over Oost-Europa, schreef zij ook dáár over. Op school richtte ze een club voor internationale betrekkingen op. Ze won een prijs omdat ze alle (toen 51) lidstaten van VN op alfabetische volgorde uit haar hoofd kon opzeggen. Toen al gold ze als misschien niet de meest intelligente, maar wel de meest gedreven van haar klasgenoten.

Altijd is Madeleine Korbel een fervent Democraat geweest. Toen ze studeerde aan Wellesley, een befaamd college voor vrouwen, bezocht ze als verslaggever van het universiteitskrantje in 1958 een campagnebijeenkomst van `de knappe kandidaat' John F. Kennedy, die als senator herkozen wilde worden. In haar verslag schreef ze hoe Kennedy glimlachend handtekeningen uitdeelde aan een menigte bewonderaars – `en ook één aan mij'.

Aan de financiële zorgen die Madeleine had gekend als kind van asielzoekers kwam een eind toen ze, 22 jaar oud, trouwde met Joe Albright, telg uit een geslacht van puisant rijke krantenuitgevers. Ze werd protestant voor haar huwelijk, en leek ook een eventuele carrière op te geven. De Albrights kregen drie kinderen, die haar leven domineerden. Alleen als vrijwilliger en op bescheiden niveau was ze politiek actief (naar eigen zeggen likte ze in 1964 postzegels voor de Senaats-campagne van Robert Kennedy).

Maar haar ambitie was allerminst geblust. Ze leerde Russisch en maakte plannen om te promoveren. Aan Columbia University in New York volgde ze college over het communisme bij de Poolse immigrant en uitgesproken anti-communist Zbigniew Brzezinski. En toen het gezin in verband met het werk van Joe naar Washington verhuisde, zette Madeleine haar eerste stappen op weg naar een politieke toekomst.

Haar toegangskaartje tot de Washingtonse society was de zeer exclusieve particuliere school Beauvoir, waarvoor ze de kinderen inschreef. Zelf wist ze een plaatsje in het bestuur van de school te veroveren, een felbegeerde positie voor iedere ambitieuze netwerker. Albright werd belast met het inzamelen van geld, waarvoor ze al snel de vereiste vasthoudendheid en energie bleek te bezitten. Een van haar mede-bestuursleden bezorgde haar daarom in 1972 een belangrijke politieke entree: ze werd fondsenwerver voor de Democratische senator Edmund Muskie, die campagne voerde voor het presidentschap. In Georgetown, de sjieke buurt van Washington, breidde ze haar contacten verder uit door etentjes voor politieke insiders te geven. Ook werkte ze stug door aan haar proefschrift over de rol van de pers in de Praagse Lente.

Albright volgde een ongebruikelijk traject naar de politieke top, maar gebaande paden waren er voor een vrouw nog niet. Muskie gaf haar, toen ze 38 was, haar eerste betaalde baan. Een paar jaar later haalde Brzezinski, die Veiligheidsadviseur van Jimmy Carter was geworden, haar naar de Nationale Veiligheidsraad om de contacten met het Congres te coördineren. In die functie schreef ze met een raak observatievermogen over een zekere William Cohen, toen een kersverse senator uit Maine, nu haar collega van Defensie: ``Hij overschat zijn intellectuele vermogens, maar is een slimme behartiger van zijn eigen belang.''

Wat volgens Dobbs echt vaart aan haar carrière heeft gegeven was haar echtscheiding. Toen haar man aankondigde te willen scheiden was dat voor haar een donderslag bij heldere hemel, heeft ze meer dan eens verklaard. Ze was gebroken, en het kostte haar een paar jaar om weer op te krabbelen. Nu zou ze zich eens bewijzen, voor haarzelf, haar ex-man en de wereld. Een aanbieding om les te komen geven aan de School for Foreign Service van Georgetown University hielp daarbij, net als de politieke campagnes waar ze zich in stortte - onder meer voor Geraldine Ferraro, de eerste vrouwelijke kandidaat voor het vice-presidentschap, en presidentskandidaat Michael Dukakis.

Maar ook al verloor Dukakis, als zijn adviseur voor buitenlandse politiek vestigde Albright haar reputatie in de Democratische partij. Halverwege de jaren tachtig had ze een vriendin nog verbaasd door haar te vertellen dat ze van plan was om minister van Buitenlandse Zaken te worden. Een paar jaar later begonnen steeds meer mensen haar ambitie serieus te nemen. In 1992 sloot Albright zich aan bij de campagne van Bill Clinton, die haar na zijn verkiezing eerst ambassadeur bij de VN maakte, en vier jaar later de hoogste kabinetspost bezorgde: minister van Buitenlandse Zaken.

Madeleine Albright is geen groot denker op het gebied van de internationale betrekkingen en heeft ook niet veel over haar vakgebied geschreven. Maar Clinton koos haar vanwege haar scherpe politieke gevoel, haar vermogen om complexe buitenlandse politieke kwesties helder uit te leggen aan het Amerikaanse publiek, en, stelt Dobbs, omdat ze een vrouw is en Clinton immers beloofd had dat zijn regering een weerspiegeling van Amerika zou zijn.

De sterkste delen van Dobbs' biografie zijn de geschiedenis van Albrights familie en de beschrijving van haar weg naar de top. De beoordeling van haar ministerschap komt er wat bekaaid af – maar daarvoor is het ook nog wel wat vroeg. Dobbs constateert wel dat het grote enthousiasme dat haar benoeming aanvankelijk in Washington opwekte, grotendeels is verdwenen. Haar sterke overtuigingen heeft ze vaak niet in effectief beleid kunnen omzetten. Op haar harde woorden volgden al te vaak geen daden. Een minister mag nog zulke krachtige posities innemen, dat zet weinig zoden aan de dijk als de president ervoor terugdeinst om knopen door te hakken.

Of de Albright-Doctrine van robuust interventionisme zal aanslaan, hangt waarschijnlijk sterk af van de uitkomst van de Kosovo-oorlog. Maar buiten kijf staat dat Albright er zich met volle overgave voor heeft ingezet – `München' en wellicht haar omgekomen familieleden indachtig.

Michael Dobbs: Madeleine Albright. A Twentieth-Century Odyssey. Henry Holt, 466 blz. ƒ65,55