Musea moeten zich opnieuw bezinnen op massaal bezoek

De zware beschadiging van een Picasso vorige week in het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft geleid tot een roep om zwaardere straffen voor kunstvernieling. Het pleidooi roept veel vragen op.

De vernieling van Femme nue devant le jardin (Vrouwelijk naakt voor de tuin) van Picasso is de vierde binnen twintig jaar in het Amsterdamse Stedelijk Museum. De klap komt niet minder hard aan. De publieke reacties zijn er naar. Kunstenaar Jan Wolkers pleit nog net niet voor het afhakken van handen, maar de straffen moeten volgens hem wel flink omhoog. Wat dit laatste betreft vindt hij Kamerlid Boris Dittrich (D66) aan zijn zijde. De getroffen museumdirecteur Rudi Fuchs ging hen reeds voor.

Woorden schieten tekort voor dit soort blinde vernielzucht. Maar dat ontslaat niet van de vraag wat we opschieten met de knee jerk-reactie van de vermelde hoogmogenden, zoals dat in de Verenigde Staten wordt genoemd. Al was het alleen omdat deze reflex allicht de aandacht afleidt van andere, nuttiger bestrijdingsmiddelen (beschermend glas, bezoekverbod, toegangscontroles). Wat bij de snelle roep om hogere straffen onderbelicht dreigt te blijven, is een analyse van het fenomeen kunstvernieling. Dat is knap ingewikkeld maar daardoor niet minder nodig voor een zinvol verband tussen daad en bestrijdingsstrategie.

Musea praten er niet graag over, maar er bestaat ook zoiets als alledaags kunstvandalisme. Het British Journal of Criminology noteerde vijf jaar geleden meer dan tweehonderd gevallen van krassen met pennen, kladden met lipstick en dergelijke in achtentwintig openbare collecties in Groot-Brittannië. Dit is het soort baldadigheid dat bekend is op andere locaties van massaal toerisme. Veeleer is het opmerkelijk dat er niet meer vandalisme in openbare collecties voorkomt, zegt de Amerikaanse socioloog John Conklin in zijn boek Art Crime. Hij verklaart dit mede uit een proces van zelfselectie bij museumbezoek en de enigszins gedempte sfeer die daarbij van oudsher past (,,verboden de voorwerpen aan te raken'').

Er is een ander uiterste: iconoclasme. Het klassieke voorbeeld is het Iconoclastisch Edict van de Byzantijnse keizer Leo III. Alleen al het religieuze element heeft tot op de dag van vandaag zijn sporen nagelaten in de psychische belevingswereld van individuele kunstvernielers. Een bekend voorbeeld is de aanval met een hamer op de Pietà van Michelangelo in 1972 door een man op zijn drieëndertigste verjaardag, de leeftijd waarop Christus stierf. Ik ben Christus, ik ben Michelangelo, leek hij te willen suggereren.

Het beeld wordt helemaal ingewikkeld doordat er ook vormen van `officiële' kunstverwaarlozing zijn die in feite neerkomen op vernieling. Conklin citeert een expert die zich tien jaar geleden `volstrekt geschokt' verklaarde over de opslag van een belangrijke collectie in New York in een gehuurd pakhuis. Het voorbeeld staat niet op zichzelf. Conklin noemt ook de befaamde Tate Gallery in Londen en het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston.

Van het strafrecht is daarbij geen sprake, maar de auteur tekent wel aan dat ,,dit soort schade door de jaren heen meer kwaad heeft aangericht dan bewuste daden van vandalisme.''

Dat praat een individuele aanval niet goed, maar het betekent wel dat deze niet valt te isoleren van zijn bredere context. Zeker als er sprake is van een geestelijke storing bij de dader. Als deze compleet gestoord (ontoerekenbaar) is, komt het strafrecht al helemaal niet in aanmerking, laat staan een hogere straf. Dan dient de betrokkene te worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat geldt voor moord en andere levensdelicten dus ook voor kunst.

Het echte probleem zit in de tussencategorie, het grensvlak tussen kunst en de reactie van de buitenwereld. Er lijkt bij kunstvandalisme sprake te zijn van een specifieke manier van waarnemen, waarbij het beeld een magische realiteit krijgt toebedeeld, merkt G.Breeuwsma van de Groningse universiteit op in zijn kleine psychologie van het kunstvandalisme (1997). Het geloof in de magie van het beeld heeft waarschijnlijk altijd een rol gespeeld in de pictorale geschiedenis. Sjamanen, kerkleiders en staatsmannen hebben dit ook altijd beseft.

En de kunstenaars zelf? Van Barnett Newman, wiens werk niet alleen in Amsterdam maar ook in Berlijn doelwit van een aanval was, is de uitspraak dat zijn techniek erop was gericht ,,de toeschouwer in het schilderij op te laten gaan''. Dat geeft aanleiding tot diepzinnige kunsthistoirische beschouwingen maar sluit directe actie niet uit. Kunstenaars koketteren soms graag met het destructieve dat mischien wel de onvermijdelijke tegenpool van het creatieve is. Zie Marcel Duchamp: Mona Lisa met snorretje.

Een rechtvaardiging voor vernieling van kunstwerken valt daaraan in de verste verte niet te ontlenen. Maar het kunstestablishment kan zich ook niet onttrekken aan reflectie op zijn eigen aandeel in de wisselwerking. In de tweede Gersonlezing in Groningen sprak de Amerikaanse expert David Freedberg (gepromoveerd op iconoclasme) in 1983 zelfs van een zekere hysterie in de reacties op vernieling: de nadruk op de geldelijke waarde van het werk, het uitmeten van de modus operandi tot in ziekmakend detail.

De bepleiters van zwaardere straffen dienen zich af te vragen of zij daartoe niet onbedoeld bijdragen. Ook in het verleden is daarom gevraagd, al was het alleen omdat verhoging van de wettelijke maximumstraf voorlopige hechtenis mogelijk maakt. Maar dat is niet noodzakelijk voor het onderzoek, legde minister Korthals Altes (Justitie) tien jaar geleden uit naar aanleiding van een ernstig geval van vernieling in het Dordrechts Museum.

De bewindsman vond voorlopige hechtenis ook niet nodig wegens het gevaar van recidive aangezien het veelal gaat om een ernstige psychische stoornis of van jarenlang opgekropte frustraties die culmineren in één emotionele ontlading. Het gevaar van recidive is overigens niet te veronachtzamen. We hebben het in Nederland in de jaren zeventig meegemaakt met herhaalde aanvallen op schilderijen van Van Gogh. In Duitsland was er tezelfdertijd zelfs een Serientater actief die 23 oude meesters met zuren te lijf ging.

Ook nu is er in het geval van de Amsterdamse Picasso sprake van herhaling. Toch vormt dat geen doorslaggevend argument voor een verhoging van de strafmaat, die voornamelijk een symbolische waarde heeft. Er zijn andere en betere manieren om af te rekenen met de bekende dader, zoals bezoekverboden. Het is tekenend voor naïviteit van de moderne museumwereld dat zij pas onlangs de juridische grondslag voor dit soort maatregelen heeft gelegd.

Het grootste gevaar blijft volgens een vuistregel van de beveiliging bovendien niet de bekende dader maar de onbekende. Die trekt zich niets aan van een symbolische strafverhoging maar vraagt om een verdere herbezinning van de openbare collecties en hun beheerders op het moderne, massale museumbezoek.