Moraalridders op oorlogspad

Een kwart eeuw geleden al bepleitte Stanley Hoffmann in de VS een ethische buitenlandse politiek. De oorlog in Kosovo is er een echo van. In zijn laatste boek verdedigt Hoffmann het recht op gewapende actie in soevereine staten als menselijk leed of regionale stabiliteit daartoe noopt.

De nu twee maanden durende luchtoorlog van de NAVO tegen Servië roept twee grote vragen op. Is deze grove aantasting van de Servische soevereiniteit toelaatbaar en kan met deze actie het gestelde doel, een veilig bestaan voor de Kosovaarse Albanezen, ooit bereikt worden? Stanley Hoffmann is een van de weinigen die sinds het einde van de Koude Oorlog doordachte opvattingen heeft ontwikkeld over de legitimiteit en doeltreffendheid van militaire interventies in regionale conflicten.

Hoffmann is als schrijver over internationale politiek al sinds decennia een fenomeen. Hij werd in 1928 in Wenen geboren, emigreerde na enkele jaren met zijn ouders naar Frankrijk, waar hij nog vóór zijn dertigste docent werd aan de École des Hautes Études et Sciences Sociales in Parijs. In 1955 vestigde Hoffmann zich in de Verenigde Staten, werd hoogleraar aan Harvard en kreeg grote faam door zijn talrijke boeken over Franse en internationale politiek. Bekend is hij vooral geworden door zijn stukken over actuele kwesties in bladen als Foreign Affairs en New York Review of Books. In World Disorders. Troubled Peace in the Post-Cold War Era heeft hij zijn belangrijkste artikelen van de afgelopen tien jaar gebundeld. De problematische verhouding tussen militaire inmenging en eerbied voor het soevereiniteitsbeginsel komt in dit boek uitvoerig ter sprake.

Uit het verzet van Rusland tegen de huidige NAVO-actie spreekt weerzin over de arrogantie van een bondgenootschap dat zich steeds verder naar het Oosten doet gelden. Deze door China gedeelde weerstand drukt ook de vrees uit dat de schending van de Servische soevereiniteit, zonder instemming van de Veiligheidsraad, een ongewenst precedent kan worden. Vandaag wordt Belgrado over Kosovo tot de NAVO-orde geroepen, maar morgen wellicht Moskou vanwege zijn politiek in de Kaukasus of Peking omdat het de Tibetanen onderdrukt. Het bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado heeft deze bezwaren belast met moeilijk beheersbare emoties.

Roestige beginselen

Hoffmann onderkent dat nationale soevereiniteit sinds de vrede van Westfalen in 1648 het organisatorische uitgangspunt is van de wereldpolitiek. Toch meent hij dat in de huidige verhoudingen dit beginsel dusdanig is aangevreten dat het steeds minder aanspraak kan maken op onaantastbaarheid. Deze ontwikkeling is een gevolg van de dialectische verhouding tussen integratie en anarchie die volgens Hoffmann het belangrijkste kenmerk is van de moderne internationale politiek.

In economisch opzicht worden staten door de mondialisering opgenomen in het grotere geheel van één vrije markt, die hun handelingsvrijheid en bevoegdheden belangrijk inperkt. Vooral in de geldhandel is deze integratie uitgelopen op een wanorde waar niemand meer greep op heeft, zoals bleek uit de paniek die vorig jaar uitbrak naar aanleiding van de monetaire crisis in Azië. De politieke verhoudingen worden ontwricht door etnische conflicten met binnenlandse oorzaken, maar met gevolgen die tot ver over de grenzen van de betrokken staat merkbaar zijn. Kosovo is het laatste voorbeeld in een inmiddels steeds langer wordende rij.

Deze regionale desintegratie gaat volgens Hoffmann echter samen, vooral door toedoen van de moderne informatietechnologie, met de mondialisering van een politieke moraal die bepaald wordt door de mensenrechten. Doorslaggevend voor het ingrijpen van de NAVO in Bosnië, bijna vier jaar geleden, was de verontwaardiging van de publieke opinie in het Westen over de misère van de Bosnische Moslims. Bekommernis met het lot van de Albanezen in Kosovo was de aanleiding tot de huidige actie.

Als morele richtlijn is respect voor de mensenrechten volgens Hoffmann `de draad van Ariadne' geworden in de internationale verhoudingen. In dit oordeel klinkt de overtuiging door waarmee hij al in de jaren zeventig steun gaf aan Jimmy Carter, de Amerikaanse president die de mensenrechten tot richtsnoer van zijn buitenlandse politiek maakte. Met die houding nam Carter afstand van zijn voorgangers Ford (1974/77) en Nixon (1969/74), die in het voetspoor van hun minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger de Amerikaanse politiek meer door nationale belangen en minder door morele intenties lieten inspireren. Kissinger is als pleitbezorger van de Realpolitik altijd de bête noire van Hoffmann geweest en gebleven.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is de bruikbaarheid van dit realisme, dat de internationale politiek opvat als het speelveld van soevereine staten die hun nationale belangen behartigen, volgens Hoffmann nog verder afgenomen. De grens tussen binnenlandse en buitenlandse politiek is teveel vervaagd. Maar hij erkent dat ook de belangrijkste tegenhanger van de realistische benadering – het idealistische internationalisme dat sinds president Woodrow Wilson (1912/20) een zwaar stempel heeft gedrukt op de Amerikaanse buitenlandse politiek – door de huidige problemen in verlegenheid is geraakt. Het uitgangspunt van dit credo is dat democratie en nationale zelfbeschikking tot internationale harmonie en respect voor de mensenrechten zullen leiden. Op dit moment zien we echter dat de Servische regering uit naam van haar nationale zelfbeschikking de Albanezen in Kosovo hun bestaansrecht ontzegt. Ook het beginsel van de democratie is door de ontwikkeling in Servië in opspraak gekomen.

Monoculturele furie

Miloševic wordt door de leiders van de NAVO-lidstaten steevast als dictator gebrandmerkt. Het staat vast dat de verkiezingen die hem al tien jaar in staat stellen aan de macht te blijven in belangrijke opzichten niet aan democratische maatstaven voldeden. Aan de andere kant is er in Servië altijd een bestaansmogelijkheid geweest voor oppositiekrachten. Het treurige is dat ook de meeste van deze groeperingen in de ban zijn van het felle nationalisme dat in Kosovo tot excessen leidt. De meest prominente tegenstander van Miloševic, de voormalige burgemeester van Belgrado, Zoran Djindjic, is een oud-aanhanger van de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic. Men moet ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat de nationalistische furie door een politieke meerderheid in Servië wordt gesteund.

Hoffmann meent dat het ideaal van een humanitair internationalisme in de verwarde verhoudingen van dit moment het enige kompas blijft dat houvast biedt, al dienen de optimistische uitgangspunten ervan fors te worden bijgesteld. Zelfbeschikking en democratie blijken een gevaar te kunnen zijn voor de vrede en de mensenrechten. In zijn meest fundamentele opstel – het drie jaar geleden geschreven The Politics and Ethics of Military Intervention – verdedigt Hoffmann een standpunt dat vooruitloopt op de huidige NAVO-actie. Een militaire interventie die de soevereiniteit en zelfbeschikking aantast is volgens hem gerechtvaardigd indien de betrokken staat, in dit geval Joegoslavië, op massale schaal menselijk leed aanricht of de regionale verhoudingen ernstig ontwricht.

Dit laatste criterium bewijst, ook al is Hoffmann niet bereid deze conclusie te trekken, dat ook het humanitaire internationalisme niet blind kan zijn voor overwegingen van Realpolitik. Een gewelddadig conflict in de Balkan of een andere regio kan een olievlekwerking krijgen of vluchtelingenstromen op gang brengen die voor de rest van Europa destabiliserend zijn. Realisme speelt ook een beslissende rol bij het beantwoorden van de vraag: waarom wel inmenging in Bosnië en Kosovo, maar niet in Rwanda of Tsjetsjenië? Hoe dichterbij de crisishaard, hoe groter de mogelijkheden èn de noodzaak om effectief in te grijpen.

Hoffmann beklemtoont dat een besluit tot interventie bij voorkeur de steun van de Veiligheidsraad moet hebben, al kan de ernst van de omstandigheden de NAVO naar zijn oordeel dwingen eenzijdig in te grijpen als een lid van de Veiligheidsraad een blokkade opwerpt. Wel moet het bondgenootschap in dat geval volgens hem blijven proberen deze staat met argumenten te overtuigen van de noodzaak tot interventie. In de kwestie-Kosovo hebben de NAVO-lidstaten na zes weken met Rusland althans een gedeeltelijk akkoord bereikt over de voorwaarden die de Servische regering moet onderschrijven. Ook deze overeenkomst was voor het Atlantisch bondgenootschap in de eerste plaats een eis van Realpolitik. De bombardementen dreigden uit te lopen op een confrontatie met Moskou, dat bovendien een onmisbare rol als bemiddelaar lijkt te kunnen opeisen sinds de hoop op een snelle capitulatie van Miloševic ijdel is gebleken.

Vermoeidheid

Die laatste constatering onderstreept dat de doeltreffendheid van een interventie een nog groter probleem kan zijn dan de legitimiteit. Hoffmann stelt vast dat de militaire dominantie van de Verenigde Staten op dit moment het meest overheersende kenmerk is van de internationale verhoudingen. Maar hij wijst ook op de militair-strategische vermoeidheidsverschijnselen die de Amerikanen na veertig jaar Koude Oorlog parten spelen. De animo om de rol van mondiale veldwachter te spelen is gering.

De aanval op Saddam Hussein die de Golfoorlog inluidde, leek die indruk tegen te spreken. Maar in januari 1991 gaf de Amerikaanse Senaat pas na lang aarzelen en met slechts drie stemmen meerderheid zijn fiat aan deze actie. Jarenlang hielden de Verenigde Staten zich vervolgens op afstand van het conflict in Bosnië, met het argument dat deze kwestie hun belangen niet raakte. Toen het in de zomer van 1995 toch nog tot een interventie kwam, kwamen de Amerikanen weg met een quick fix. De bombardementen tegen Bosnisch-Servische stellingen hadden snel succes doordat ze werden ondersteund door een Kroatisch grondoffensief.

In de NAVO-operatie van dit moment hebben de Verenigde Staten opnieuw de leiding, omdat de Europeanen wederom niet in staat zijn op eigen kracht een vuist te maken. Maar nog meer dan bij vorige gelegenheden is Washington een aanvoerder die contre coeur opereert. De president lijkt er met zijn hoofd maar half bij te zijn en het Congres is in verwarring.

Voor de Amerikanen staat voorop dat hun manschappen zo weinig mogelijk risico's lopen, een uitgangspunt dat inmiddels tot een opeenstapeling van averechtse gevolgen heeft geleid. Het belangrijkste doelwit, de Servische strijdkrachten in Kosovo die verantwoordelijk zijn voor het uitroeien en verjagen (`etnisch zuiveren') van de Albanezen en daarmee voor de destabilisatie van de regio, liggen slechts marginaal onder vuur. De redenen zijn bekend: de interventie van een NAVO-strijdmacht op Kosovaarse bodem wordt militair en politiek te riskant gevonden en ook de gevaren voor de NAVO-piloten worden tot een minimum beperkt door de luchtaanvallen te laten uitvoeren vanaf Mount Everest-hoogte.

Slagvaardigheid

De bombardementen op bruggen, fabrieken, televisiestations en energiecentrales in Servië zijn een middel om operationele slagvaardigheid te demonstreren zonder al te grote risico's te lopen. Effectieve aanvallen op militaire doelen in Kosovo brengen teveel gevaren mee. Die vrees is de verklaring voor het besluit de Apache-gevechtshelicopters aan de grond te houden. Zo raakt deze interventie steeds meer op het dwaalspoor van de contraproductiviteit. De luchtaanvallen hebben de `etnische zuivering' onbedoeld versneld. De destabilisatie van Montenegro, Macedonië en Albanië is een tweede gevolg dat tegengesteld is aan de politieke doelen van deze oorlog. De interne positie van Miloševic lijkt door de verontwaardiging van de Servische bevolking over de huidige NAVO-strategie versterkt te zijn.

Bovendien dreigen de bombardementen op civiele objecten, die inmiddels een groot deel van de infrastructuur in Servië hebben vernietigd, ook in moreel opzicht een contraproductieve uitwerking te krijgen. De hardnekkigheid waarmee deze doelwitten `militair' worden genoemd, getuigt van een onwaarachtigheid die op gespannen voet staat met de hooggestemde oogmerken van het bondgenootschap. De van zeer grote hoogte uitgevoerde luchtaanvallen hebben inmiddels als gevolg van vergissingen en afzwaaiers tenminste honderden slachtoffers gemaakt onder de Servische en Albanese burgerbevolking. Het argument van de NAVO-leiding dat dit aantal, afgezet tegen de vele duizenden bombardementsvluchten, verbazingwekkend laag ligt, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de humanitaire pretenties waarop het bondgenootschap zich beroept. Hoeveel levens van onschuldigen moeten worden vernietigd om die van andere onschuldigen te kunnen redden?

De strijd van de NAVO tegen de `etnische zuivering' is nog altijd een operatie die met het oog op de morele standaard en de politieke stabiliteit van Europa's toekomstige verhoudingen zinvol en zelfs noodzakelijk is. Als Miloševic in zijn opzet slaagt, dan wordt de postmoderne slogan `anything goes' een geaccepteerd politiek recept.

Toen het bondgenootschap twee maanden geleden aan zijn actie begon, was er geen alternatief voor de strijdmethode van de luchtaanvallen. Maar door langdurig vast te houden aan een strategie die inmiddels onvoldoende effectief en zelfs contraproductief blijkt te zijn, ondermijnt de NAVO de waarden die het bondgenootschap zegt te willen redden. Zo verliest het langzaam maar zeker ook de onmisbare steun van de publieke opinie in de lidstaten. Datzelfde gevaar dreigt weliswaar bij de keuze voor een strategie die het risico voor de NAVO-manschappen verhoogt door zich volledig te richten op de uitschakeling van de Servische troepen in Kosovo. Maar die koers zou althans in overeenstemming zijn met de morele en politieke oogmerken van de NAVO.

Stanley Hoffmann: World Disorders. Troubled Peace in the Post-Cold War Era. Rowman & Littlefield Publishers, 279 blz. ƒ82,10