Mislukte vader, mislukte moeder, mislukt boek

A.M. Homes verwierf pardoes een kwalijke reputatie toen ze in 1996 het even lugubere als sterke The End of Alice publiceerde, een roman over de psyche van een pedofiele lustmoordenaar. De deftige heren van HarperCollins England wilden het vieze boekje niet uitgeven en links en rechts spraken bezorgde moeders er schande van. Er kon na Ellis' American Psycho nog wel een relletje bij. Tragisch gevolg was dat in sommige contreien de roman nauwelijks werd besproken, bang als men was voor vieze vingers.

Ondertussen bleek A.M. Homes' stijl in The End of Alice zo gerijpt dat menig lezer dacht dat ze aan een tweede leven als romancier begonnen was. Niet dat haar eerdere romans en verhalen ontluisterend slecht waren, maar de hang naar zedenschets en psychologisch portret leek de stiliste in Homes regelmatig voor de voeten te lopen, vooral in haar romans. Haar werk voor The End of Alice bewoog zich inhoudelijk ergens tussen de literaire soaps van Updike en de nihilistische generatieromans van Brat Pack, schrijvers als Ellis en McInerney, maar ambachtelijk gezien bleek ze niet opgewassen tegen de vele eisen van de romanvorm. Te vaak hinkten haar alwetende vertellers op twee gedachten: opsommen of weglaten. In The End of Alice koos ze voor de monologue intérieur, hetgeen een sublieme, zeer overtuigende stijl opleverde. Bovendien bleek Homes in staat de schaduw van Nabokov als een welkome verkoeling te beschouwen, want zonder ook maar met een halve zin naar diens Lolita te verwijzen is The End of Alice doordesemd van het bestaan van dat boek, een prestatie die mij zeer wist te bekoren.

Music for Torching, haar vierde roman (ontstaan uit een kort verhaal dat Homes ooit in The New Yorker publiceerde), lijkt vanaf de allereerste bladzijde een stap terug. Een zedenschets, een onvaste alwetende verteller, en een lugubere onderstroom die bedolven wordt onder scènes uit een huwelijk. Maar toch is de vaart enorm, en dus begin je gretig te lezen. Een volkomen op elkaar en de wereld uitgekeken echtpaar raakt op een dag uit het leven van `middle-class America' zo ontdaan van de routine die hun leven bestiert dat ze in een vlaag van verstandsverbijstering hun huis in brand steken en een vluchtpoging ondernemen naar een andere wereld: die waarin chaos regeert. De ontreddering en valse moed van deze echtelieden is, even los van de armetierige stijl, met groot psychologisch inzicht beschreven. Maar prompt zit niet enkel het echtpaar, maar ook Homes met de gebakken peren. Het huis brandt niet af, maar loopt slechts herstelbare schade op, en de eerste kennismaking met de chaos doet het echtpaar geen goed. Ze hebben, dat waren ze even vergeten, twee kinderen om voor te zorgen, en ze blijken laffer dan verwacht, zodat ze het liefst terug zouden kruipen naar hun oude vertrouwde dagelijkse ellende.

Ziedaar het verhaaltje waar Homes een dikke 350 bladzijden uit wringt. Al snel ontsporen de echtelieden op vergezochte wijze (zodat Homes haar nu wel erg vervelend wordende homo-erotische fratsen weer kwijt kan), het huis wordt gerepareerd, en Homes vergrijpt zich aan psychologisch geëmmer waar je doodmoe van wordt. Weer weet ze niet te kiezen tussen opsommen en weglaten en af en toe is haar stijl zo bar dat je de indruk krijgt een scenarioschrijver te horen die een script aan een typiste dicteert. De heldin – mislukte moeder, mislukte echtgenote, mislukte vrouw volgens de glossy's – krijgt alle sympathie van de schrijfster, maar de lezer denkt halverwege het boek: had dat mens ook opgestookt. De held – mislukte vader, mislukte carrièremaker, mislukte man volgens de glossy's – komt er minder fraai vanaf, maar nog is de sympathie van de schrijfster voor deze huilebalk van een vent in alle opzichten misplaatst. Het is Homes blijkbaar nog altijd niet gegeven om kleurloze ellendelingen overtuigend op de been te houden binnen de grenzen van een roman.

Naarmate het boek vordert, of eigenlijk maar doorzeurt, begin je naar een clou te verlangen, een pointe, al was het maar een ambachtelijke, om te kunnen verklaren waartoe deze eindeloos uitgemolken treurnis dienen moet. De roman eindigt pats, boem met een scène waarin het negenjarig zoontje wordt gegijzeld door een klasgenootje in een schoolgebouw. Het huis is zo goed als gerepareerd, het dagelijkse leven vrijwel hervat en vader en moeder zijn terug bij af en even ongelukkig als aan het begin van het boek. Wat nu? Deus ex machina. Het zoontje wordt doodgeschoten, en de ouders hebben nu werkelijk iets om van wakker te liggen. De tragische hoop van de welwillende lezer op een romantechnisch kunstje, om de deceptie over zo'n stijlloos boek te pareren, wordt zo wel erg ongenadig afgestraft.

De wijze waarop het oeuvre van Homes vorm krijgt is niet bijster opbeurend. Het lijkt alsof ze haast heeft met de omvang ervan. Te weten dat ze in staat is ijzersterke korte verhalen te schrijven en een geweldige roman als The End of Alice, maakt dat je haar zou willen sommeren haar talenten wat serieuzer te nemen. Music for Torching is welbeschouwd schandalig slecht.

A.M. Homes: Music for Torching. Weisbach Morrow, 358 blz. ƒ39,90