Met schild en speer de mist in

De opkomst en ondergang van het legendarische Zuid-Afrikaanse Zulu-rijk nam amper drie generaties in beslag. De eenwording en bloei van het rijk had plaats in het begin van de vorige eeuw, de eerste gewelddadige confrontatie met de blanke kolonisten (Boeren-Voortrekkers) in 1838, een periode van `gewapende vrede' kwam daarna, gevolgd door de fatale oorlog met de Engelsen in 1879. En gedaan was het alweer met de Zulu op de wereldkaart. Hun leiders waren gesneuveld, hun landerijen verdeeld onder de overwinnaars, en zijzelf gedwongen tot loonarbeid op boerenbedrijven of in de diamantmijnen van Kimberley.

Toch was de indruk die het Zulu-rijk achterliet in het westerse bewustzijn bijna een eeuw lang onuitwisbaar. Het was een beeld `gewikkeld in de beladen termen van het koloniale verleden', zoals Ian Knight het formuleert in Great Zulu Commanders. Het was het schrikbeeld van een slaperige Engelse schildwacht die, starend in de ochtendnevel, opeens honderden tot de tanden bewapende Zulu-krijgers uit het hoge gras ziet oprijzen. Een beeld dat was gewortel in de visuele propaganda van de vorige eeuw: dreigende Victoriaanse prenten waarop groepjes heldhaftige Britse `roodjassen' in de pan worden gehakt door een overmacht aan schuimbekkende en met hun ogen rollende Zulu.

Pas vanaf de jaren zestig van deze eeuw wordt dat koloniale beeld gecorrigeerd door Engelse en Zuid-Afrikaanse historici als John Laband en Ian Knight, samen goed voor meer dan twintig boeken over de Zulu. Niet alleen besteden ze aandacht aan hun sociale en religieuze leven, ook halen ze individuen uit de anonieme massa. Koning Shaka (1787-1828) bijvoorbeeld, grondlegger van een politiek en militair systeem dat hem ruim vijftig jaar overleefde, en dat de Engelsen dwong tot zes maanden intensieve oorlogsvoering. Shaka werd opgevolgd door zijn broer Dingane, en het was onder diens bewind dat vijandelijkheden uitbraken tussen de Zulu en blanke kolonisten. Oorzaak was de `Grote Trek' die in 1834 op gang kwam: de uittocht van 15.000 Boeren en hun gezinnen uit de Engelse Kaap Kolonie. Een deel zette koers naar Zululand en Natal, waar ze aan het eind van 1837 arriveerden. Wat er toen gebeurde, is illustratief voor álle contacten tussen volkeren die elkaars cultuur niet begrijpen, elkaars taal niet spreken, en die bovendien in een bij voorbaat gespannen relatie komen te verkeren. Een aaneenschakeling van misverstanden en taxatiefouten, onherroepelijk gevolgd door escalatie.

Het begint in januari 1838 als de Boerenleider Piet Retief zich met een aantal manschappen bij het hof van Dingane meldt. Om indruk te maken laat hij zijn mannen in de lucht schieten en woeste manoeuvres uithalen op hun paarden, niet wetend dat het een zware belediging is dit soort activiteiten in de nabijheid van de koning uit te voeren. Dan begint het onderhandelen. Retief zegt dat hij zich in Zululand wil vestigen. Dingane antwoordt dat hij daar best over wil praten, maar dan moet Retief hem wél eerst een dienst bewijzen: een gestolen kudde vee terughalen bij een naburige vijandelijke stam.

Aldus gebeurt. Retief houdt echter een aantal dieren achter `als commissie', opnieuw een zware belediging voor de koning, die bovendien vermoedt dat Retief toverij heeft gebruikt. Er wordt een vage overeenkomst gesloten tussen de koning - uiterst gespannen inmiddels (maar dat weet Retief niet) - en een zeer voldane Retief die zijn missie als voltooid beschouwt en niets kwaads meer in de zin heeft (maar dat weet Dingane weer niet). Na twee dagen met feesten maakt een aantal jonge Boeren een cruciale fout. Aangetrokken door Dingane's harem, wagen ze zich 's nachts in de privé-enclave van de koning. Een zware misdaad in de Zulu-cultuur, waarop maar één sanctie staat: de doodstraf voor alle betrokkenen en hun familie en kennissen. Op de ochtend van 6 februari 1838 worden een verbijsterde Retief en zijn zeventig manschappen overvallen, naar de `executie-heuvel' gesleept en doodgeknuppeld.

In een notendop is dat het begin van bijna elk stukje koloniale geschiedenis, en ook het vervolg voegt zich moeiteloos naar het patroon. Want de Boeren sloegen uiteraard even hard terug, met een veldtocht die in december culmineerde in de slachtpartij bij Bloedrivier, waarbij meer dan drieduizend Zulu het leven lieten. De tweede, beslissende, aanslag op het Zulu-rijk vond veertig jaar later plaats. Na de vondst van diamanten bij Kimberley besloot het Britse bestuur alle resterende onafhankelijke territoria in Zuid-Afrika te annexeren, economisch en politiek. Niet alleen de Boeren kwamen daartegen in opstand, ook de Zulu onderkoning Cetshwayo. Een half jaar felle strijd volgde, totdat de Zulu op 4 juli 1879 het hoofd moesten buigen. Hun gevechtstechnieken en povere bewapening - speer en schild - waren niet opgewassen tegen artillerie en machinegeweren.

En zo was ook het laatste zwarte rijk in Afrika verslagen. De Zulu moesten het lot delen van al die andere inheemse volkeren die het tegen de blanken hadden afgelegd: onderdrukt en uitgebuit, hun traditionele cultuur in enkele jaren nagenoeg gesloopt. Pas toen Zuid-Afrika in 1994, na afschaffing van de apartheid, een nieuwe grondwet aannam, kwam er enig eerherstel in de vorm van een erkenning van de Zulu-monarchie in KwaZulu-Natal.

Knight en Laband hebben twee waardevolle boeken toegevoegd aan hun imposante oeuvre over de Zulu. Vooral The Rise and Fall of the Zulu Nation heeft de kwaliteiten van een standaardwerk. Terwijl Knight zich voornamelijk beperkt tot de krijgskunde, is de blik van Laband veel breder. Wel moet de lezer zich een weg banen door de vaak nogal cryptische hoofdstuktitels. Want koppen als `He who thunders as he sits' of `You are the quiet one, o great elephant!' zijn, hoe veelzeggend misschien voor een geboren Zulu, voor een buitenstaander niet erg toegankelijk.

Ian Knight: Great Zulu Commanders. Arms and Armour Press 1999, 224 blz. ƒ76,-

John Laband: The Rise and Fall of the Zulu Nation. Arms and Armour Press 1998, 517 blz. ƒ95,- (geb.), ƒ67,25 (pbk)