Meijer hekelt passiviteit van premier Kok

Een meer actieve opstelling van premier Kok had het instellen van een enquête naar de Bijlmerramp kunnen voorkomen, stelt enquêtevoorzitter Meijer.

Tussen de parlementaire enquêtecommissie Vliegramp Bijlmermeer en een meerderheid in de Tweede Kamer bestaat een grondig verschil van opvatting over de positie van de minister-president. Volgens commissievoorzitter Th. Meijer had een meer actieve opstelling van de minister-president ,,wellicht'' kunnen voorkomen dat vorig najaar een parlementaire enquête moest worden ingesteld. Hij zei dit gisteren bij de voortzetting van de behandeling van het eindrapport in de Tweede Kamer. Het is nog onduidelijk wanneer de harde conclusies uit het rapport met het kabinet worden besproken.

PvdA-woordvoerder Van Gijzel bestreed de opvattingen van de commissie het felst. Hij acht het staatsrechtelijk ,,niet goed te verdedigen'' dat de minister-president een speciale positie voor zichzelf had moeten opeisen. Het kabinet had eerder dezelfde opvatting gegeven. Van Gijzel betitelde de argumentatie van de commissie als ,,een flinterdunne lijn''.

Voorzitter Meijer had de situatie kort daarvoor aldus beschreven: ,,Na 1993 als de ramp formeel is afgehandeld keert de overheid zich af van de Bijlmer. Tegelijk komen de klachten over de gezondheid en steken allerlei spookverhalen de kop op.'' Volgens hem had de minister-president toen zeker het initiatief moeten nemen om de ministerraad bijeen te roepen. Temeer omdat gebleken was dat de vakministers, in het bijzonder die van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, niet in staat waren om een eind te maken aan de maatschappelijke onrust.

Van Gijzel, die zich als Kamerlid intensief met het Bijlmerdossier heeft beziggehouden, hield de commissie voor dat men geheel voorbijging aan de maatschappelijke situatie destijds, waarin geen enkele politicus ,,een gevoel van urgentie'' had bij het Bijlmerdossier. ,,Ik werd toen spottend Bijlmerboy genoemd, dat was een scheldnaam. Je werd gewoon uitgelachen als je een vraag stelde over deze zaak. Kun je dan van de minister-president zo'n initiatief verwachten?'' D66-woordvoerder Van Walsem hield hem voor dat zo'n excuus dan ook geldt voor de vakministers. Van Gijzel gaf aan dat hij zich wel had kunnen voorstellen dat de minister-president zich informeel met de kwestie had bemoeid. Enquêtevoorzitter Meijer: ,,Het gaat over mensen en hun gezondheid, niet over een paspoort. Als je als minister-president, als hoeder van het land dan ziet dat het allemaal niet lukt, dan ga je er toch een keer met alle ministers over praten?''

De enquêtevoorzitter kreeg van diverse woordvoerders net als op de eerste dag het verwijt dat hij twee keer op z'n minst de suggestie had gedaan dat premier Kok meineed had gepleegd, toen hij in zijn verhoor verklaarde dat geen enkele fractievoorzitter ooit had aangedrongen op een afzonderlijke ministerraad. ,,Het feit dat de commissie geen aangifte heeft gedaan, betekent voor ons einde verhaal'', aldus Meijer. Dat vonden de Kamerleden wat al te gemakkelijk. Het Kamerlid Stellingwerf hield Meijer een citaat uit het Eindhovens Dagblad voor waarin hij de vraag stelt of Koks uitlatingen neerkomen op meineed. ,,Ik wil gewoon dat u toegeeft dat het een fout was'', aldus Stellingwerf.

De commissie had ook nog een verrassing: de lijst van de vier o's (de keren dat de Kamer ,,onjuist, onvolledig, ontijdig of onduidelijk'' werd ingelicht) is uitgebreid van zeventien naar negentien. Volgens Meijer een frequentie van eens per vier maanden. ,,En voor ons zijn alle o's ernstig'', aldus de voorzitter. Het VVD-Kamerlid Te Veldhuis vroeg de commissie om de zaak te relativeren omdat er tussen die negentien voorbeelden flink wat lichte gevallen staan. Meijers reactie was dat de Kamer zelf maar moet beoordelen hoe zwaar deze opsomming telt.