Koolmees wekt verbazing

Werken als Mahlers laatste symfonieën, Schönbergs Gurre-Lieder en het gehele expressionisme: vormen die een voorafschaduwing van de Eerste Wereldoorlog? En schuilt er een soortgelijk verband tussen La Danse des Morts van Honegger en de Tweede Wereldoorlog? Ton de Leeuw meende van wel en dan ziet het er niet best uit. Want behalve Hans Koolmees' De Toren van Babel, waarin de wereld brandent als een reusachtige fakkel, wordt nu veel vergelijkbaars gecomponeerd.

Het eerste concert in het Rotterdamse Koolmees Festival mondde uit in Niemandsland, A very satisfactory first day voor pianotrio, geïnspireerd door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Hiermee vergeleken boden Monster voor baritonsax en basklarinet niet meer dan brommerige schetsen, laat staan de meer recente Songs voor fagot solo.

De ondertitel A very satisfactory first day verwijst naar een commentaar van het Britse opperbevel op de slag aan de Somme, die 20.000 Engelsen het leven kostte. Vandaar dat het trio uitmondt in het gezongen soldatenliedje It's a long way to Tipperary, gevolgd door een ingehouden Andante met een fragment uit Brahms' Ein deutsches Requiem. Vorm en harmonische opzet zijn ontleend aan Chopins Regendruppel-Prelude met, aldus George Sand, in het centrum de onheilspellende schaduwen van dode Spaanse monniken. Het is dan even slikken als je diezelfde passage hoort uitgevoerd in Dreams (1990) van de Japanse cineast Akiro Kurosawa, een favoriet van Koolmees waarnaar we mochten kijken, terwijl middenin een Vincent van Gogh-landschap een locomotief brullend van leer trekt – een niet bepaald mystiek beeld!

Anderzijds zijn dergelijke verwarrende verwijzingen in een postmoderne combinatie zeker karakteristiek te noemen voor de grillige compositiestijl van Koolmees. Het materiaal van zijn pianotrio, voornamelijk pendelende kwintolen, is vrijblijvende etude-achtig, zij het dat de hardnekkige voortgang een zekere extase veroorzaakt, vergelijkbaar met die van Sjostakowitsj en Matthijs Vermeulen, waarbij op elk moment in filmisch strakke montagetechniek een onverwachtse relativering kan volgen. Een metalen minimalisme, gruizelig grappige swing, een quasi-romantisch espressivo: Koolmees bood meer verbazing dan satisfactie!

Zeer bevredigend musiceerde het jonge Rembrandt Trio. Pianist Folke Nauta speelde in een glashelder betoog – zij het nog teveel los van de strijkers, de lyrisch bevlogen violiste Janine Jansen en de vooral stuwende cellist Jeroen den Herder. De spanning in het Largo uit Beethovens Trio in D opus 70 nr 1, dwong bewondering af. Het is merkwaardig gedurfde muziek, maar minder excentriek wanneer men bedenkt dat het als schets voorkomt op dezelfde bladzijde met fragmenten voor een opera Macbeth.

De tweede dag met vocale muziek vond ik aanmerkelijk sterker. Naast pop en jazz blijkt volksmuziek een onuitputtelijke bron voor regelrechte adaptatie en inspiratie. Zo bevat Monster muziek uit Burundi, Songs uit Rusland, Senegal en het Paaseiland, Tentet uit Kameroen en de Cantates nr 1-3 uit Eritrea. Op het mild melancholieke renaissance-chanson Fors seulement contre ce que ay promis, toegescheven aan Ockeghem, volgde als contrast Koolmees' Aed Mac Ainmirech naar Ierse teksten, ruig en raspend.

Het zoeken naar een directe uitdrukking karakteriseert niet minder Posjlost voor koor, twee klarinetten, contrabas en slagwerk naar Gogols Dode Zielen. Het zijn teksten vol karakteristieke open o-klanken, ,,zo groot als de plop van en olifant die in een modderpoel valt en zo rond als de boezem van een badende schone op een Duitse ansichtkaart'' (Nabokov). Bij Koolmees zijn het vooral teksten vol fluisteringen, spreken en roepen als equivalent van tomtoms, woodblock, koebellen en marimba. Zoals de klarinetten, die in een Presto e agitato meteen de toon zetten, een soort joelende falsetten zijn. Deze vocaal-instrumentale inversie en het daarbij behorend fanatisme beviel mij het best.

Concert: Hans Koolmees Festival. Gehoord 19, 20/5 Lantaren en Paradijskerk Rotterdam.