`Kinski was geen acteur maar een genie'

Ook al hebben ze elkaar willen vermoorden, Werner Herzog hield van zijn acteur Klaus Kinski. `Gelukkig zijn er ook bewijzen dat we diep verbonden waren'.

Aan het begin van de jaren zeventig dacht Klaus Kinski (1926-1991) dat hij Jezus was. Werner Herzogs documentaire Mein liebster Feind, die hij presenteerde op het Filmfestival van Cannes, begint met opnamen van Kinski uit die periode. In hippiekleding en met vuur schietende ogen tijdens een soort van evangelisatietournee tierT hij tegen het publiek. `Halt' die Schnauze!', schreeuwt hij, wanneer iemand hem de microfoon tracht te ontnemen. Een man merkt op dat Jezus zoiets nooit zou zeggen. Nu wordt Kinski pas echt boos: ,,Nee, Jezus zou niet zeggen 'Houd je bek!', hij zou een zweep pakken en erop los slaan.''

In de volgende scène belt Herzog aan bij een gesoigneerd echtpaar, dat een deftig verbouwde etage in München bewoont. De regisseur vertelt dat dit huis in 1955 het pension herbergde, waar hij als jongen van dertien met zijn moeder woonde. Op de plek van de glimmende keuken, wijst Herzog aan, was een kamertje ter grootte van een deel van het huidige aanrecht. Daar woonde Kinski. In woede had hij al het meubilair van de hospita kapot geslagen.

Herzog herinnert zich ook een maaltijd, waar een theatercriticus bij aanwezig was. Die had Kinski in een klein rolletje in een toneelstuk gezien, en noemde dat rolletje opmerkelijk en uitstekend. Het volgende moment troffen twee hete aardappels de ogen van de recensent. Kinski schreeuwde: ,,Ik was niet opmerkelijk, ik was niet uitstekend, ich war monumental!'

Klaus Kinski zou in ongeveer 160 films spelen, maar de documentaire van Werner Herzog bevat fragmenten uit slechts zes speelfilms, zijn eigen films met Kinski, en een scène uit de pacifistische speelfilm Kinder, Mütter und ein General (Laslo Benedek, 1955), waarin Kinski, als SS-er, wakker wordt, zijn pistool pakt en een van desertie verdachte soldaat zonder vorm van proces doodschiet. Herzog herhaalt die paar seconden van Kinski die zijn ogen opent - inderdaad een verbluffend moment van doelgericht kwaad - wel drie keer, omdat dat op hem, toen een kind, later regisseur, zo'n enorme indruk maakte. De andere vijf zijn de door Herzog met Kinski gemaakte films, waaraan de acteur het grootste deel van zijn roem dankt en die alle werden vernoemd naar Kinski's personage.

Op het gazon van een hotel in Cannes licht Werner Herzog (1942) toe waarom hij die andere 154 films overslaat, en de waarheid toch slechts in geringe mate geweld aandoet: ,,Klaus Kinski speelde meestal rolletjes waarvoor hij maar een dag hoefde te draaien, want geen enkele regisseur hield het langer met hem uit. Ik had tientallen tegenspelers kunnen interviewen, die graag zouden willen vertellen wat een monster Kinski was. Omdat ik hem bewonder, ondanks alle gevechten die we hebben gevoerd, laat ik alleen de twee actrices aan het woord die niets dan goeds hebben te melden: Eva Mattes, zijn tegenspeelster in Woyzeck, en Claudia Cardinale, uit Fitzcarraldo. Kinski was geen acteur, hij was zelfs geen kunstenaar. Hij was een genie. Je kunt hem waanzinnig noemen, maar ik geef er de voorkeur aan de rest van de wereld waanzinnig te vinden.''

Duivel

De momenten die hij uitzocht om aan te tonen hoe ontroerend en authentiek Kinksi kon zijn, `intuïtief' in Herzogs woorden, zijn overtuigend. De dood van de vampier in Nosferatu bij voorbeeld, of de kniebuigingen tijdens de titelscène van Woyzeck, gaan verder dan wat je acteren zou kunnen noemen. Het heeft inderdaad iets te maken met God of de duivel.

Nog merkwaardiger zijn de archiefbeelden van Herzog en Kinski samen tijdens het filmfestival van Telluride. Dat ze elkaar naar het leven stonden is algemeen bekend. Toen Kinski in Peru de set van Aguirre per speedboot definitief wilde verlaten, dreigde Herzog hem voor de eerste rivierbocht acht kogels door het lijf te jagen, en de negende voor zichzelf te bewaren. En in West-Afrika, bij de opnamen van Cobra Verde, leek het Kinski ernst Herzog om zeep te helpen. Herzog nu: ,,Gelukkig zijn er die beelden van onze begroeting in Telluride, anders zou niemand geloven dat we ook diep verbonden waren. In Mein liebster Feind noem ik Kinski mijn noodlot, maar dat is een term die niet goed valt uit te leggen. Misschien is het beter te spreken van onvermijdelijkheid.''

Op de archiefbeelden staat Herzog te praten met festivaldirecteur Tom Luddy, als Kinski arriveert. Abrupt wordt het gesprek onderbroken. Voor beiden bestaat niets anders dan de ander en ze storten zich in elkaars armen, een tedere omhelzing van minnaars bijna. Ook in een later gesprek met de pers gedragen ze zich als balorige verliefde pubers.Ander materiaal laat zien hoe Herzog en zijn cameraman Thomas Mauch besluiten aan boord te gaan van het op drift geslagen schip van Fitzcarraldo, om daar tamelijk gevaarlijke beelden van te filmen. Kinski staat erop hen te vergezellen. Herzog: ,,Hij wilde niet dat ik zonder hem dood zou gaan. Ook speelde de jaloezie altijd een rol, Kinski verdroeg het niet dat een ander meer aandacht kreeg dan hij.''

Herzog maakt het liefst films onder de meest extreme condities. Hij laat een schip over een berg dragen of hij brengt zijn complete cast onder hypnose, in Herz aus Glas (1976). In april van dit jaar publiceerde Herzog het in Minneapolis geschreven, zogeheten Minnesotamanifest. Hij schreef het `onder invloed van zware jet lag en depressief geworden over wat ik op de televisie zag. Ik zapte daar rond en zag hoe de pornografie reëler is dan dedocumentaires'. Onder het motto 'Lessons of Darkness', keert hij zich tegen de cinéma vérité, die hij van leugenachtigheid beticht, omdat daarin slechts `de waarheid van boekhouders' wordt verkondigd. De echte, `poëtische waarheid' laat zich volgens Herzog alleen maar construeren, ook in documentaires. Is die romantische, naar het extreme neigende benadering van de waarheid, zowel door Kinski als door Herzog, nu typisch Duits?

Herzog: ,,Ik ben geen Duitser, ik ben een Beier. Ik ben opgegroeid in een klein Alpendorpje, vandaar mijn fascinatie voor bergen, en het heeft me heel lang gekost om het Hoogduits onder de knie te krijgen. Ik kan maar één ander bedenken, die Fitzcarraldo had kunnen maken, en dat is koning Ludwig II. Diedie had ook een opera in de Amazone kunnen bouwen.''

Onlangs speelde Herzog, die tegenwoordig in San Francisco woont, een rol in Julien, de nieuwe film van regisseur Harmony Korine. Korine schreef eerder het scenario voor Kids en regiseerde de op het Rotterdamse filmfestival bekroonde, eveneens extreme situaties bejubelende film Gummo. Julien kwam tot stand volgens de regels van het vorig jaar in Cannes gelanceerde DOGMA95-manifest, dat het gebruik van kunstmatig licht, geluid en rekwisieten verbiedt. Het lijkt de filmopvattingen van Herzog tegen te spreken, maar dat is niet helemaal waar. Herzog: ,,DOGMA95 is een ongeïnspireerd kookboek van technische verboden en geboden. Ik zou zelf nooit een film kunnen maken zonder muziek als dwingende factor, om maar eens wat te noemen. Toch is het goed dat er een revolte ontstaat tegen de kunstmatigheid van de door special effects beheerste huidige speelfilmpraktijk. De film moet terug woprden gebracht naar een meer essentiële maat. En Harmony Korine, die wel in DOGMA95 gelooft, beschouwt mijals een wegbereider van DOGMA95.''

In tegenstelling tot Herzogs vorige documentaire Little Dieter Needs to Fly (1997) bevat Mein liebster Feind geen verdichting of enscenering van de werkelijkheid. Herzog is verteller en gids, bij voorbeeld op de Peruaanse locaties van Aguirre en Fitzcarraldo of in het Tsjechische stadje Telc, waar Woyzeck werd opgenomen, maar die beelden zijn geheel gedraaid volgens traditionele documentaire opvattingen. In Peru ontmoet Herzog een figurant, die het litteken op zijn voorhoofd laat zien, dat Kinski 26 jaar eerder heeft veroorzaakt door als de conquistador Aguirre iets te enthousiast met zijn zwaard op hem in te hakken. Op het vliegveld van Lima staat de figurant te wachten op de regisseur met een bord in zijn hand: `Herzog's Kinski'. Lang heeft de regisseur zijn film ook zo willen noemen: ,,Ik heb geen encyclopedische documentaire willen maken. Ik ben niet geïnteresseerd in de oorzaken van Kinski's genialiteit, in zijn psychologie of kindertijd. Ik heb niet eens overwogen om zijn dochter Nastassia te benaderen. Klaus Kinski is het grootste genie uit de eerste eeuw van de film. Je zou hem misschien kunnen vergelijken met de jonge Marlon Brando of met de jonge Orson Welles, maar die gingen minder ver. Kinski wordt in deze `documentaire' - dat woord gebruik ik alleen maar tussen aanhalingstekens, denkt u daar vooral om - bekeken door mijn ogen, en het is voor een groot deel ook een zelfportret.''