Kabinetscrisis 2

De alles-of-niets-strijd die de fractieleider van D66, Thom de Graaf, heeft gevoerd rondom de invoering van het referendum, roept op zijn zachtst gezegd de nodige vraagtekens op. Het referendum had het vrije, democratische gehalte van ons staatsbestel wat meer kleur moeten geven. De Graaf eist van álle senatoren uit de regeringspartijen een stem vóór invoering van de volksraadpleging. Daarmee heeft hij van het hele referendum een klucht gemaakt. Een voorzitter van een Tweede-Kamerfractie verlangt fractiediscipline van alle Eerste-Kamerleden van de coalitie. Het is hem bijna gelukt om deze fractiediscipline bij de coalitiepartners af te dwingen. Langs deze weg, die min of meer neerkomt op een vorm van partijtotalitarisme, moest het referendum gered worden. Bij voorbaat zou het referendum al in zijn democratische kleur verschoten zijn, als het voorstel voor invoering het op deze wijze gehaald had. Merkwaardig is ook het feit dat slechts één persoon van de partij voor vrijheid en democratie met zijn tegenstem vasthield aan zijn vrijheid om verantwoordelijkheid te dragen. Hebben de andere leden van die partij, die tegen het referendum wilden stemmen, uiteindelijk toch gebogen voor de door De Graaf van hun partij geëiste partijdiscipline?