Hoe lang heb ik nog?

Stress en jachtigheid ontbreken op de expositie over tijd in museum de Wieger in Deurne: de kalmte der koeien wordt aangeprezen

De vraag naar onze leeftijd beantwoorden wij met het aantal jaren dat wij achter de rug hebben. Het zou ook denkbaar zijn, en niet per se onlogischer, dat wij de jaren zouden tellen die nog voor ons liggen. Het woord leeftijd zou dan zoveel betekenen als `nog te leven tijd'. Een kwieke bejaarde die heel oud denkt te worden, zou als leeftijd 25 kunnen invullen, en een hypochondrische puber 1 of 2. Op een ander moment, als de bejaarde onverhoopt doodziek is geworden en de puber met succes in therapie geweest, geeft de eerste misschien maar 3 maanden op en de laatste wel 70 jaar - tot hun levensgevoel weer verandert en ze hun leeftijd opnieuw bijstellen.

Een dergelijke praktijk zou de nodige onzekerheid met zich meebrengen, onze leeftijden zouden gaan schommelen als beurskoersen. Maar daar staan grote voordelen tegenover. Het betrekken van de toekomstige tijd in onze leeftijd, zou ons leven er een stuk opwindender op maken. Wij zouden ons constant rekenschap moeten geven van de tijd als eindigheid, en er een veel rijker geschakeerd beeld van krijgen. Nu denken wij al te gemakzuchtig aan de tijd als opeenvolging, alsof hij samenvalt met de klok. In werkelijkheid is de tijd veelvormig, veranderlijk en omkeerbaar.

Natuurlijk zijn er nog veel meer manieren om het complexe karakter van de tijd te ervaren. Wij zouden bijvoorbeeld ook een ruimtereisje kunnen gaan maken. Maar het meest praktisch is en blijft het voorlopig nog, om ons ouderwets te wenden tot de literatuur en de kunst. Die zijn wel wat minder echt dan de werkelijkheid, maar in het overhoop halen van de tijd hebben ze een gevestigde reputatie.

Zo kende de Zwitserse schrijver Max Frisch (1911-1991) aan de tijd de eigenschappen toe van het licht. Het licht laat niet zien wat het in wezen is, pas als het wordt gebroken en ontleed toont het zijn kleuren. Dat zou ook opgaan voor de tijd, die `niet de essentie maar slechts schijn is, een hulpmiddel van onze voorstelling, een zich ontrollen dat ons na elkaar laat zien wat eigenlijk een in-elkaar is, een tegelijk.'

In Museum De Wieger in Deurne is deze maanden een tentoonstelling te zien die een poging doet dat tegelijk van de tijd in beeld te brengen. De titel van de expositie, Alle tijd van de wereld, is ook letterlijk bedoeld: het gaat hier om de tijd in al zijn naast elkaar bestaande varianten.

Oprolkalender

In tien afdelingen zijn de meest uiteenlopende dingen te zien: een documentaire over de oerknal, een schoolplaat waarop God de wereld schept, een foetus in een baarmoeder op sterk water, een ets van de dood op een paard, een schilderij van een slapende koe, een tekening van een schaatswedstrijd, een kandelaar die als klok werkt, een speeldoos met ingebouwde paardenrace, een achttiende-eeuwse pendule, zonnewijzers, mammoetbeenderen, pijlpunten en vuistbijlen, een Egyptische mummie van een kat, een oprolkalender van perkament, een dag- en nachtmachine die zich opent en sluit als een bloem, een robot in de vorm van een speelgoedhond, een schilderij van Carel Willink met de titel Naar de toekomst, en zo verder.

Wie langs al deze voorwerpen en beelden gaat, nu eens studieus, dan weer vluchtig, ziet inderdaad vele lagen van de tijd: wereldtijd en oertijd, objectieve en subjectieve tijd, kloktijd en kalendertijd. En toch maken, vreemd genoeg, al die beelden tezamen een overwegend tijdloze indruk. De toekomst wordt net zo goed aan de orde gesteld als het verleden, en desondanks lijkt alle hier getoonde tijd al geschiedenis, alsof alles al doorleefd en achter de rug is. Hoe interessant veel voorwerpen ook lijken, ze weigeren je bij je lurven te grijpen. Geen moment denk je ongerust: `Hoeveel tijd heb ik nog?' Overal zie je het brede spectrum, nergens een prisma.

Wat op Alle tijd van de wereld ontbreekt is de opwindende tijd, de scherpte, de stress, de jachtigheid. Die kanten van de tijd zijn voor de samenstellers kennelijk te verderfelijk geweest, en in de krant die bij de tentoonstelling is verschenen waarschuwen ze er zelfs tegen. `Komt tijd, komt raad' en `Alles op z'n tijd' luiden de motto's van die krant, en in de kolommen zelf wordt, zonder een spoor van ironie, de lezer de kalme aandachtigheid van koeien, en de grote wijsheid van bomen ten voorbeeld gesteld. Deurne spiegelt zich aan de natuur, zoveel is duidelijk. De zon schijnt er, de vogels fluiten, en de museumbezoeker zit daar middenin als een visser zonder hengel.

Dan, op de valreep, is er toch nog een kleurrijk lichtbundeltje, De juiste tijd geheten. Het is een videotape van Jerome Symons.

De kunstenaar zit, met een grote zwarte bril op, tegen de achtergrond van een kale muur aan een leeg bureau. In zijn linkerhand heeft hij een vuisthamer, met zijn rechterhand pakt hij vanachter het bureau een leeg wijnglas en zet het voor zich neer. Hij zegt met vlakke stem, onbewogen in de camera kijkend: `Bij de volgende toon is het 174 uur, 80 minuten en 4 seconden,' en slaat met de hamer in één klap het wijnglas in diggelen. Nog een glas, hij zegt: `Bij de volgende toon is het 88 uur, 97 minuten en 900 seconden,' en slaat opnieuw verpletterend toe.

Een scherp filmpje, mede dankzij het brekend glas, al is het dan geen prisma. Symons drijft de tijd in ieder geval op de spits, iets wat de tentoonstelling als geheel ook had moeten doen.

De juiste tijd prikkelt de aandacht op dezelfde manier als de editie over tijd die is uitgegeven door het Engels/Duitse tijdschrift Colors (mei/juni 1998). Time!Zeit! kraait een haan op de voorpagina, en die twee woorden zijn behalve het thema ook de verantwoording, de inleiding en de inhoudsopgave van het nummer. De afbeeldingen zijn raak, brutaal en met veel gevoel voor verhoudingen op elkaar afgestemd, en de beknopte tekst doet, zonder droog te zijn, niets anders dan feiten en feitjes over tijd doorgeven.

Moermansk

Veel grote foto's, waarvan de eerste Dag heet. Kinderen staan in een kring om een felle lamp, met alleen een witte onderbroek aan en een donkere bril op. `Moermansk, Rusland,' staat erbij, `Ochtendlichttherapie verbetert stemming en biologische ritmes in streken met weinig zonlicht.' Het medicinale blauwe licht op de foto, de blote kinderen, de discipline waarmee ze daar hun stemming staan te verbeteren in het noordelijkste puntje van Rusland - het is niet minder indrukwekkend dan een spraakmakend artikel in Nature over de genen cry 1 en cry 2 die de biologische klok van muizen regelen.

Elders een dramatische foto uit Indonesië, die 1/600 van een seconde is genoemd.Een open vrachtwagen met honderd voetbalsupporters erop vliegt kantelend uit de bocht. Enkele pagina's verder, als de foto alweer aan het vervagen is, opeens hetzelfde beeld in close-up, met de nu zichtbare doodsangst van de wegspringende, klem zittende, zich vastklampende voetbalfans. Titel: Déjà vu?. Daarbij een tekst over hoe neurologen déjà vu-ervaringen interpreteren.

Weer elders een man in het wit die vanaf een flatgebouw naar beneden valt. Titel: Levensduur. Commentaar: `Dit is een foto van Ian Werdmüller, 45, die juist zelfmoord pleegt. Om persoonlijke reden bereikte hij slechts tweederde van zijn natuurlijke levensduur.'

Time!Zeit! is een tentoonstelling in tijdschriftvorm waarbij je soms vergeet te ademen. Veel van de getoonde beelden maken de tijd dan ook voelbaar in zijn eindigheid. Dat de zelfmoordenaar die daar omlaag zeilt 45 jaar oud is interesseert je niet, je denkt alleen maar aan die vier seconden die hij nog te leven heeft. Zo word je door deze foto's, hoewel het registraties zijn van gebeurtenissen die zelf al tot de geschiedenis behoren, in de toekomstige tijd getrokken. In de onzekere, speculatieve tijd: de enige die je hebt.

Colors stelt, net als Symons, de tijd op scherp, beiden begrijpen dat er geen andere manier is om hem voelbaar te maken. Tijd die niet scherp wordt gesteld is slaaptijd, alleen interessant voor de slaper - en voor degene die, met de filosoof Spinoza, vindt dat je elke gebeurtenis moet relativeren door haar te zien in het licht van de eeuwigheid. Maar dan hef je de tijd op in plaats van hem voelbaar te maken. Zoals ook de filosoof Rousseau de tijd wilde opheffen toen hij demonstratief zijn horloge verkocht. Hij kondigde aan te gaan leven als de bekende nobele wilde, die volgens hem zonder kloktijd veel gelukkiger was.

Horlogerie

Onzin, zoals iedere tropenganger weet die middenin het regenwoud weleens een nobele wilde tegen het lijf is gelopen. Als eerste worden de verdwaalde westerling zijn horloge en sigaretten afgetroggeld. En hoe menselijk ook. Om zo lang in het aards paradijs te hebben gewoond en dan naar een beetje stress te snakken.

Dat wij universeel geobsedeerd zijn door de tijd is een onwrikbaar feit, dat wij evenmin uit de wereld kunnen helpen door ons met de kalme aandachtigheid van koeien te identificeren als door onze horloges van de hand te doen, of weg te dromen naar de eeuwigheid. De obsessie met tijd is nu misschien extra zichtbaar door de millenniumwisseling, maar zij is er altijd, onvermijdelijk.

De tijd geeft ons macht en maakt ons tegelijk afhankelijk. Omdat wij leven hebben wij de tijd, en omdat wij dood gaan heeft de tijd ons, en het één kan op elk moment omslaan in het ander. Dat alles is een ideale, nooit overgaande voedingsbodem voor obsessies. Het maakt dat wij scherp op de tijd letten, continu, en steeds nieuwe manieren zoeken om er nog scherper op te letten. Ondertussen wenden wij ons, in afwachting van een nieuwe betekenis voor het woord leeftijd en dromend van een ruimtereisje, tot uitingen van kunst en literatuur die de tijd onder handen nemen. Bijvoorbeeld tot Een heilige van de horlogerie, de roman van Willem Frederik Hermans (1987).

Hoofdpersoon van dat boek is een filosoof, die een doctoraalscriptie tegen de kloktijd heeft geschreven. Volgens Constantin Brueghel is de klok, hoe alomtegenwoordig ook, maar een dom ding dat alsmaar hetzelfde verhaal afdraait. De klok heeft weinig te betekenen vergeleken bij de kalender. Die bestaat al duizenden jaren langer, heeft weet van de hemellichamen en kan een onafzienbare hoeveelheid tijd meten. Klokken hebben nergens weet van, de tijd zou zich evengoed ontrollen als er geen klokken waren.

Die opvatting is op zichzelf nog niet al te opzienbarend, en Een heilige van de horlogerie komt dan ook pas goed op gang als Constantin, tegen zijn minachting voor de klok in, klokkenmaker wordt.

Het is zijn werk om in een leegstaand paleis een verzameling klokken aan de gang te houden van maar liefst 1473 stuks, verdeeld over 297 zalen. Jaar in jaar uit verricht hij deze arbeid met grote nauwgezetheid, waarbij zijn ontzag voor de uurwerken alleen maar toeneemt. Klokken gaande houden in zalen waar nooit iemand komt, is voor hem even groots als het bestaan van onbewoonde planeten. Bovendien is een klok die niet precies op tijd loopt simpelweg zijn eer te na, `zoals de ware heilige niet wil dat er zich zelfs in het diepste duister van zijn ziel de geringste schim of schaduw van een ongerechtigheid verbergt'.

In zijn obsessie bereikt hij grote hoogten, voortgedreven als hij wordt door de ambitie om de uurwerken behalve gelijk te laten lopen ook gelijk te laten slaan. Maar met de komst van een vrouw in zijn leven begint zijn wereld te wankelen - zo gaat dat bij heiligen. Zijn ondergang wordt bezegeld door een horde daklozen, die het paleis in bezit neemt en de klokkenverzameling plundert.

Het failliet van de klokkenmaker Constantin bewijst het gelijk van Constantin de filosoof: klokken betekenen niets. Maar die gedachte zou nooit tot leven zijn gekomen wanneer niet Hermans, als de tentoonstellingsmaker van die enorme verzameling klokken in dat lege paleis en de regisseur van de even karikaturale als heroïsche Constantin, voor de nodige verontrusting had gezorgd. Als lezer gun je de sympathieke klokkenmaker het eeuwige leven, maar ondertussen word je vooral voortgedreven door de vraag: `Hoelang duurt dit nog?'

In Een heilige van de horlogerie komt de tijd al evenzeer tot leven als in Time!Zeit!. Beide publicaties breken en ontleden de tijd, en ze draaien dan ook allebei, à la Max Frisch, om de tijd als een tegelijk. Zoals Constantin Brueghel erop uit is zijn klokken tegelijk te laten lopen èn slaan, zo roepen ook de prominentste pagina's van het Colors-nummer op tot Gelijktijdigheid. Ze zijn vormgegeven als verborgen maar uitklapbare bladzijden, die je pas openvouwt nadat je de inleiding hebt gelezen: `Voor er klokken waren was de veiligste manier om een ontmoeting af te stemmen, een afspraak te maken bij zonsopkomst of zonsondergang. Nu er per jaar 300 miljoen horloges worden verkocht, is afstemming gemakkelijker dan ooit. [...] Open deze vouwbladen en je komt alles te weten wat je moet doen om de ultieme afstemming te bereiken: het gelijktijdige orgasme.'

Zoals ieder goed kunstwerk een vitaliserende werking heeft, zo kun je meemaken dat je, na boek en tijdschrift te hebben dichtgeslagen, opeens een veel ruimer gevoel hebt over je nog te leven tijd. Verkwikt verlaat je je huis. Je denkt aan de bus waarin Constantin Brueghel zit nadat zijn klokkenavontuur voorgoed voorbij is. En voor het eerst sinds jaren heb je zelf ook zin in een bus. Je gaat dus op zoek naar een halte, al weet je nog niet wat je bestemming zal zijn. Je weet alleen dat er een zee van tijd is. Dan, staand voor het wachthuisje, blijk je een zeker 35 jaar oud lied van Bob Dylan te fluiten: `But I was so much older then, I'm younger than that, now.'

Alle tijd van de wereld in Museum De Wieger in Deurne duurt tot en met 20 juni. Het blad Colors is een uitgave van United Colors of Benneton en heeft een website: www.colorsmagazine.com