Even lekker huiveren

Gerry van der List nam vorige maand afscheid als medewerker van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, om zich geheel te kunnen wijden aan de journalistiek. Om dit keerpunt in zijn carrière te vieren heeft uitgeverij Aspekt zijn columns voor de Volkskrant gebundeld en samen met een aantal verspreide artikelen uitgebracht onder de titel Opgeruimd staat netjes. Het is een onthullende verzameling.

Van der List afficheert zichzelf als pleitbezorger van de ouderwetse burger. Hij gebruikt zijn pen als wapen in de strijd met journalisten, schrijvers en kunstenaars die sinds de jaren zestig het intellectuele establishment uitmaken en de aanval hebben ingezet op het burgermansfatsoen. Zijn inspiratiebron is het Amerikaanse neo-conservatisme. In zijn columns wil hij even provocerend zijn als Norman Podhoretz, Irving Kristol of George F. Will.

Af en toe zijn die provocaties grappig. Wie ze achter elkaar leest gaat ze echter onvermijdelijk vergelijken met die van zijn Amerikaanse voorbeelden, en dan blijkt dat Van der List veel minder beslagen ten ijs komt. De Amerikaanse neo-conservatieven gaan niet alleen tekeer tegen `links', maar stellen ook vragen waar liberalen antwoord op moeten geven. Van der List daarentegen volstaat met het uiten van zijn ongenoegen.

Dat gebrek aan diepgang heeft een inhoudelijke reden, die onder meer is op te maken uit Van der Lists eigen wetenschappelijke loopbaan. De titel van zijn proefschrift in de geschiedwetenschappen luidt De macht van het idee. De VVD en het Nederlandse buitenlands beleid 1948-1994. De formulering `het idee' (in plaats van `de idee') illustreert de conclusie die men uit het proefschrift kan trekken: het ontbreekt de VVD aan theoretische ideeën op het gebied van de buitenlandse politiek. Van der List doet geen poging dit manco te verklaren, maar beperkt zich tot een beschrijving van de verschillende opvattingen die vanaf 1948 binnen de VVD hebben geleefd. Om die te achterhalen heeft hij niet alleen bronnenonderzoek gedaan, maar ook vraaggesprekken gehouden met liberale denkers als Cornelis Berkhouwer en Hans van Baalen.

Het uitblijven van een verklaring voor deze ideeën-armoede van het liberalisme ligt echter voor de hand. In een korte toespraak bij het veertigjarig jubileum van Hollands Maandblad wees voormalig VVD-leider Frits Bolkestein onlangs op een `kernvraag' van onze tijd, namelijk de spanning tussen het micro-niveau van de individuele vrijheid en het macro-niveau van de overheid. Kan een samenleving op macro-niveau functioneren zonder een bepaalde moraal op het micro-niveau? Hoeveel vrijheid kan een overheid haar burgers toestaan? Met andere woorden: waar ligt de grens van het liberalisme?

Voor een liberaal zijn dit nijpende vragen, want ze confronteren hem met de beperkingen van zijn overtuigingen. Hij wordt gedwongen zichzelf de vraag te stellen, wanneer hij moet ophouden liberaal te zijn. Het liberalisme als theorie staat immers juist een pluralistische maatschappij voor, waarin niet één `normaal' mensbeeld als maatgevend beschouwd kan worden.

Deze `paradox van het liberalisme' keert voortdurend terug in de columns van Van der List. Hij ergert zich aan `antiburgerlijken, nihilistische filosofen, exhibitionistische homo's, absurdistische kunstenaars, naïeve wereldverbeteraars, progressieve dominees, journalistieke doemdenkers en oppervlakkige genotzoekers'. Maar hij kan, als liberaal, niet rechtvaardigen waarom hij hun gedrag afkeurt. Vandaar dat hij niet verder komt dan schimpscheuten. Van zijn liberalisme blijft zo weinig over, maar Van der List is dan ook au coeur geen liberaal, maar een conservatief, zoals ook blijkt uit columns waarin hij zich neerbuigend uitlaat over progressieve liberalen als Vonhoff en Geertsema, ten faveure van conservatieve partijgenoten als Wiegel, Oud en Van Riel.

De vraag is nu of dat conservatisme de meningen die Van der List erop nahoudt wèl kan rechtvaardigen. Dit is allerminst duidelijk, omdat uitdrukkingen als `conservatief', `burgermansfatsoen', `normaal', `de wil van het volk' en `de mening van de conservatieve burger' niet verwijzen naar één corpus aan opvattingen. Sommige opvattingen, van sommige burgers, zijn behartenswaardig, andere daarentegen niet. Het simpele feit dat een burger vindt dat, bijvoorbeeld, alles moet blijven zoals het is, rechtvaardigt die mening natuurlijk nog niet. Bovendien zouden sommige ontwikkelingen zelfs een aartsconservatief zorgen moeten baren, zoals de onzekere toekomst van de representatieve democratie: een negentiende-eeuws ideaal dat tegenwoordig op sterven na dood is. Welke burger heeft nog de overtuiging dat hij door een Euro-parlementariër wordt gerepresenteerd?

Behalve een rechtvaardiging voor het eigen, conservatieve standpunt ontbreekt bij Van der List ook zelfkritiek. Zijn `bekendste column', Een Amsterdamse orgie, over de hoofdstedelijke Gay Games, vindt hij zelf `een erg geestig en raak stukje'. Wie het stukje naleest, begrijpt waarom. Hij houdt niet van `elkaar aflebberende homo's'. Na een openhartige bekentenis van Pim Fortuyn ziet hij, telkens wanneer deze `cultuurfilosoof uit Rotterdam' op tv verschijnt, diens `grote blote hoofd tussen een paar behaarde billen verdwijnen', waarna Van der List `even gaat huiveren'. Het venijn van dit stukje zit in de staart, waar hij een verband legt tussen de Gay Games en kinderporno.

Uit deze column blijkt dat de `liberaal' Van der List niet de consequenties wil trekken uit het liberalisme: dat bijvoorbeeld een minderheid zich bevrijd voelt wanneer een week lang de rollen eens omgekeerd zijn en hún gedrag de norm wordt. Hoe twijfelachtig zijn beroep op `burgermansfatsoen' is, wordt pijnlijk duidelijk als we deze column vergelijken met Van der Lists loftuitingen over zangeres en soap-actrice Katja Schuurman. `De enige belangrijke vraag die het (zang-)trio heeft opgeworpen, is de klassieke vraag bij meisjesgroepen: wie is het lekkerst? (..) Onverslaanbaar qua lekkerheid blijft toch Katja. (..) de opwindende combinatie van onschuld en verleidelijkheid in het volle, gave gezicht, de pronte boezem, de hete, sexy stem'. Een optreden van Katja`s trio is een `kinderfeestje'. Zou Van der List nu, ter verdediging van de goede smaak die bij de Gay Games in geding was, niet ook moeten opmerken dat het vreemd is dat `weinigen een verband leggen' tussen een columnist die met rode konen over die `lekkere' Katja schrijft, en kinderporno?

Opgeruimd staat netjes is een bundel zonder veel diepgang, met enkele aardige en enthousiasmerende stukken, zoals die over Frank Sinatra, Bruce Springsteen en Bob den Uyl. Van der List verlaat nu de wetenschap om redacteur te worden bij het weekblad Elsevier. Hij voegt zich dus in de rijen van `oppervlakkige' journalisten, waar hij zo graag op mocht schelden maar waar hij, blijkens deze bundel, altijd al toe heeft behoord.

Gerry van der List: Opgeruimd staat netjes. Burgerlijke beschouwingen. Aspekt, 288 blz. ƒ34,90