Een bedachtzaam raaskallen

Ken je klassieken en je kunt behoorlijk tekeer gaan. Wellicht in het leven, maar zeker in de poëzie. Nors en zonder haten, de nieuwe bundel van de dichter, criticus en classicus Piet Gerbrandy, is een baaierd van, excusez les mots, kotsen, naaien, tobben, zuipen en rukken. Alleen wel zo opgeschreven dat aanschaf door de bibliotheek van een gereformeerde scholengemeenschap niet hoeft te worden ontraden.

Gerbrandy's poëzie is een weerbarstig mengsel van gramschap, taalplezier, hermetisch verpakte alledaagsheid, archaïsmen en geraffineerde grofheid. Of noem het een dionysische cocktail van Petronius, Catullus en Juvenalis, omgezet voor de moderne tijd.

Zo begint een gedicht uit de afdeling Ontbindingen:

Zijn kinderen hadden gespuugd.

Als weerlicht parkeerde lankmoedig

de dood zijn geslacht en zijn

smalende tanige weeuwtje.

En juist bood zij zicht op

de pornografische pracht

harer billen, of gloorde

niet in de bepiste struwelen

het glimpak van haaslip,

de kranige rukker van Luik?

Het beeld is van een haast schofferende alledaagsheid en tegelijk ongemeen geestig: het liefdesspel van een vader wordt onderbroken omdat elders in huis de kinderen gespuugd hebben. Het archaïsche `weeuwtje' (jonge weduwe, nu namelijk even zonder man) en `struwelen' mogen geïsoleerd een wat studentikoze indruk maken, maar schijn bedriegt.

Want als deze poëzie ironisch is, dan toch op een andere manier dan de vroege Komrij en de sonnettenschrijvers van de jaren zeventig dat waren. De toon is er meestal te grimmig voor, de grammatica te vaak uit het lood geslagen en de betekenis geregeld te duister. Waarop slaat die rukker van Luik?

Wat in deze regels verder opvalt, is het veelvuldig door de dichter toegepaste weglaten van lidwoorden, hier bij weerlicht en haaslip. Een ander gedicht begint zo:

In dijen hapt men, haring

en genever slokt men gretig

in zich op.

Maar wat met maanlicht in een plas,

met vleermuis die om torren tsjirpt,

de toon van Prez en ergste glimpen

zon?

Dit procédé gebruikte Gerbrandy ook in zijn met de Van der Hoogt-prijs bekroonde debuut, Weloverwogen en onopgemerkt, evenals de lapidaire, bewust gewrongen zinsbouw. In de hier aangehaalde regels wordt de vraag opgeworpen wat je eigenlijk aan moet met je ontroering voor de natuur of voor muziek van Josquin des Prez, met een genot dat niet zinnelijk is als in de eerste drie regels.

Telkens merk je dat die ontroering Gerbrandy in de weg zit. Het maakt hem korzelig en juist deze welbewuste stuursheid vormt de charme van zijn gedichten. Ze vertonen een bedachtzaam raaskallen dat de irritatie over de eigen gevoeligheden zowel vormgeeft als overschreeuwt. Soms lopen cerebrale woordspeling, grammaticale verminking en grommende associatie zo door elkaar dat er geen touw meer aan vast valt te knopen.

De achterflap meldt dat de dichter woont te Winterswijk. Dat is de geboorteplaats van Komrij, met wie Gerbrandy een zekere belangstelling voor drek en droesem deelt. Ook aan die andere dichter uit het oosten, Ter Balkt, doet hij denken. Regels als de volgende laten de verwantschap van deze drie dichters zien:

Ter vliering neuken boeren hier

hun geesteszieke nichten en hun

varkens veinzen pest.

Hun koppig dweilorkest speelt

op een deel wat opgeruimde

deuntjes.

Morgen schuiven rockers - aan

hun houten koppen slecht lang

haar - in binnensmondse talen

grimmig zwijgend op aftandse

trekkers over land. Ontstemd

gejank verdooft het razen van motoren.

Het valt daar kennelijk niet mee.

Gerbrandy glijdt wel eens uit over zijn woordspeligheid, maar het is eveneens een van zijn sterke kanten. Er bestaat onder poëzieliefhebbers enige minachting voor de woordspeling. Ten onrechte, zoals een geslaagd voorbeeld hier laat zien:

Tuit ook uw oor? Werd

ook uw loer gedraaid of

moer genaaid? Zo niet

dan komt dat nog.

Goed is hoe de loer hier letterlijk gedraaid wordt aan de moer door de dubbelzinnigheid van dat laatste woord - dat namelijk moeder betekent en moer van een schroef. Er wordt je hier als lezer een loer gedraaid of een oor aangenaaid waar je bij staat.

Dan kun je doorzeuren over het duistere in deze poëzie, of over een scheutje te veel Marten Toonder (`zwadder', `een war/ van kranke waan'). Maar het zijn stevige gedichten, waar ik wel pap van lust.

Piet Gerbrandy: Nors en zonder haten. Gedichten. Meulenhoff, 70 blz. ƒ29,90