De kracht van een manipulator

Tien jaar geleden, toen overal in het Oosten het socialisme viel, en zelfs acht jaar geleden, toen het oude Joegoslavië desintegreerde, had Servië heel wat betere vooruitzichten op een ontwikkeling in de richting van meerpartijendemocratie en een markteconomie dan buurlanden als Roemenië en Bulgarije. Er bestonden vrije media, er bestond een actieve intellectuele elite, er was sprake van het vermogen van politieke bewuste burgers zich te organiseren in partijen en organisaties buiten het bewind. Er was een behoorlijke economische en industriële basis.

Nu, een decennium later, is Servië de laatste autoritaire staat van de Balkan. Het is op het gebied van de democratie en de martkeconomie ingehaald, niet alleen door de republieken die zich in 1991 afscheidden, maar ook door Roemenië en Bulgarije en zelfs Albanië, hoewel die landen toch jarenlang hebben geworsteld met ex- of neo-communistische regeerders die dachten het oude regime in aangepaste vorm te kunnen voortzetten.

Over de vraag waarom het nieuwe Joegoslavië, ondanks die betere startpositie, de sprong naar de democratie en de vrije markt niet heeft kunnen maken gaat Serbia under Miloševic van Robert Thomas. Het is de eerste serieuze studie over dat nieuwe Joegoslavië, een gedetailleerde en scherpzinnige analyse van het bewind van de raadselachtige Slobodan Miloševic. Hoe regeert hij? Met welke institutionele en niet-institutionele middelen houdt hij zich staande? Miloševic heeft de Serviërs opgezadeld met de ene ramp na de andere, met oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo, met internationaal isolement, met verwoestende sancties en met een economische neergang die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn gelijke niet kent. Waarom dragen de Serviërs die architect van de ene ramp na de andere nog steeds op handen?

Er is niet één antwoord. Het antwoord ligt in de aard van het bewind en in de aard van de omstandigheden: in de oorlogen van de afgelopen jaren en het nog steeds ontbrekende antwoord op de vraag wie de Serviërs eigenlijk zijn en in welke staat, binnen welke grenzen, ze wonen. Het hele decennium heeft die vraag de politiek van alledag, en de mentaliteit van de burgers, gedomineerd. De oorlogen stonden in het teken van die `Servische kwestie'. Hoorden de Kroatische Serviërs en de Serviërs in Bosnië niet bij de resterende federatie? Hadden de Serviërs niet het recht in één staat te wonen?

Unaniem ja

Het unanieme `ja' van de Serviërs op die vraag is een van de factoren die verhinderde dat zich in Joegoslavië, zoals in `normale' landen, een normaal politiek debat ontspon over hervormingen, economie, wetten, maatregelen en verodeningen: zaken die het debat in een normaal parlement beheersen. Hier ging en gaat het altijd steeds maar over dat ene onderwerp, en dat ene onderwerp hield het land in een soort permanente revolutie, die nimmer bedaarde en die nooit is uitgewoed. `The maps in the minds of men are the last things to go', aldus Eugene Hammel in het boek van Thomas.

Zelfs dat debat is geen debat in de normale zin van het woord, met argumenten die die naam verdienen. De acteurs op het politieke toneel pasten zich aan: wat hen verdeelt en verenigt heeft altijd met die `Servische kwestie' te maken. Ze proberen elkaar in retoriek te overtreffen. Ze praten in code. In dit land jongleren politici met slagzinnen, met mythen en met symbolen, die hun betekenis ontlenen aan een ver verleden, maar die voor elke goede luisteraar een hedendaagse standpuntbepaling inhouden, ook al hebben ze met alledaags beleid niets te maken. Een verkiezingsdebat kan wekenlang volledig worden gedomineerd door bijvoorbeeld de beschuldiging van oppositieleider Vuk Draškovic dat de ultra-nationalist Vojislav Šešelj eigenlijk geen echte Serviër is, maar ergens ver weg Kroatische voorouders heeft gehad. En Šešelj kan daarop omstandig aantonen dat zijn vader een gelovige veehoeder was en dat hij gedoopt is in het orthodoxe klooster van Zavala, dat nota bene al in de Middeleeuwen werd gebouwd, en dat Draškovic' vader een communist was en dat zijn tegenstander heeft gelogen over zijn geboortedatum die heeft hij veranderd om zijn verjaardag op de Dag van de Republiek te laten vallen.

Het is maar een voorbeeld van het niveau waarop de afgelopen tien jaar het debat in Joegoslavië zich heeft afgespeeld: de spelers op dat politieke toneel besteden het grootste deel van hun tijd en energie met het aantonen van de eigen Servische legitimiteit en het ontbreken daarvan bij de tegenstanders. Het heeft de oppositie gefragmenteerd en verdeeld. Met ideologie of beleid heeft dat niets te maken. En zelfs niet met loyaliteit, want morgen kunnen de zaken weer heel anders liggen: de kemphanen Šešelj en Draškovic zijn getuigen bij elkaars huwelijk geweest en hebben Miloševic zowel fel bestreden als nederig gediend.

Codes en trefwoorden: het simpel dragen van een insigne, speldje of kokarde kan verschuivende politieke standpunten aangeven. Wie een cetnik-kokarde draagt, geeft aan zich te baseren op het monarchistische, rechtse, romantische en anti-communistische ideaal van de cetnik-traditie uit de Tweede Wereldoorlog. Wie daarentegen een partizanen-kokarde draagt, baseert zich op de titoïstische, communistische, anti-fascistische traditie. Alles is symboliek, tot in de kleinste details. Een bezoek aan een bepaald klooster, mausoleum of gedenkteken is al een politieke standpuntbepaling. En boven dit alles presideert Miloševic.

Parafernalia

Het gebruik van mythen, codes en symbolen, in een decennium waarin het alsmaar gaat om de fundamentele vraag wat Serviërs zijn en binnen welke (steeds omstreden) grenzen ze leven, verklaart de afwezigheid van een fatsoenlijk politiek debat. Maar het verklaart nog niet waarom Servië de autoritaire staat is die het is.

Het is een autoritaire staat omdat de Miloševic een briljante manipulator is die zelf in niets gelooft, behalve in de handhaving van zijn eigen macht, die geen boodschap heeft aan welke ideologie dan ook, maar wel de kunst beheerst steeds te weten wat de Serviërs op welk moment het best kan worden voorgeschoteld en hoe hij de sentimenten het best kan bespelen. Dat is nu eens het nationalisme, dan weer het moderne Europese ideaal, de ongebondenheid van Tito's Joegoslavië, het socialisme met zijn humanitaire idealen, of de natie die door samenzweerders in Zagreb, Washington en Bonn wordt bedreigd. Miloševic bespeelt het register als geen ander.

Hij kan daarmee echter alleen succes hebben in een bepaalde setting. Joegoslavië heeft alle parafernalia van een democratie: het heeft een parlement, het telt vele partijen, het heeft vrije media, het gaat naar de stembus. Het is op het oog dus een democratie.

Maar geen van die parafernalia van dat pluriforme systeem functioneert: ze zijn er pro forma. De grootste partij, Miloševic' eigen Servische Socialistische Partij (SPS), is geen partij maar een distributiecentrum van privileges en banen. Enerzijds kwam de SPS aan de macht door de nationalistische `anti-bureaucratische' revolutie waarmee Miloševic eind jaren tachtig de communistische partij omverwierp en zichzelf daarmee een niet-communistische en anti-dictatoriale legitimiteit verschafte waarop hij zich nog altijd kan beroepen als iemand hem verwijt een dictator te zijn. Anderzijds is de SPS de opvolgster van die communistische partij: ze heeft haar structuren en de financiële en materiële bezittingen uit de tijd van de éénpartijdictatuur geërfd. Dat stelde de SPS in staat een scheiding van partij en staat te voorkomen. De partij functioneert nog steeds als een agentschap dat namens de staat de macht verdeelt, in een patronagesysteem dan nog sterker en effectiever is als tijdens het communisme. Ministers zijn tegelijkertijd directeuren van enorme bedrijven die zich de afgelopen tien jaar schaamteloos hebben verrijkt. Ze zijn economisch afhankelijk van het regime. Wie rebelleert, kan worden opgepakt wegens het `verduisteren' van enorme bedragen. Het patronagesysteem werkt op elk niveau: in de staatsbedrijven en in de zogenaamd geprivatiseerde bedrijven (waarvan de grote in werkelijkheid worden gerund door hoge staatsbureaucraten) is iedereen afhankelijk van het regime. Zelfs in privébedrijven hebben directeuren hun positie te danken aan de patronage van de staatsoligarchie — een kliek die door de Frankfurter Allgemeine Zeitung onlangs treffend `de nomenklatoera van kleptocraten' is genoemd, een oligarchie waarin naast managers en ambtenaren ook gangsters rondlopen die rijk zijn geworden tijdens de sancties, en tot zakenman bekeerde oorlogsmisdadigers of militiechefs die (zoals Arkan) in Bosnië, Kroatië en Kosovo massamoorden hebben begaan.

Netwerken

Deze regerende kliek beheerst de nooit hervormde economie, maar ook de andere instituten van het zogenaamd pluriforme Joegoslavië: de electronische media en de belangrijke kranten, de rechtspraak en de politie die door Miloševic is opgebouwd als een pretoriaanse garde die het enige minder betrouwbare element in Joegoslavië (het leger) in de schaduw stelt. Die controle is zo goed als volledig. Mocht een van de onafhankelijke media te ver gaan, dan is het een fluitje van een cent om zo'n blad, radio- of televisiestation met een rechterlijk vonnis (tijdelijk) de nek om te draaien. `Servië is een land waar de wet is stilgevallen', aldus Thomas.

Ook het parlement komt niet of nauwelijks bijeen. Waar in het politieke leven in Servië de afgelopen tien jaar sprake is geweest van belangrijke momenten, gaat het steeds om gebeurtenissen die zich niet in het parlement, maar op straat afspeelden, zoals tijdens de demonstraties van 9 maart 1991 en juni 1993, de maandenlange dagelijkse betogingen tegen het regime in de winter van 1996/97 en de gewelddadige confrontaties in Belgrado op 30 september 1997. De belangrijkste oppositiepartijen zijn niet in het parlement vertegenwoordigd omdat ze de laatste stembusgang boycotten. Maar omdat het parlement niets voorstelt maakt dat niets uit.

Miloševic is de afgelopen tien jaar aan de macht gebleven dankzij een netwerk van niet-institutionele politieke en economische instrumenten die de rol van formele instanties tot die van pseudo-democratisch alibi hebben gedegradeerd. Hij heerst met een oligarchie die de gang van zaken van hoog tot laag beheerst, die goed gedrag beloont en slecht gedrag bestraft, die tegenstanders met het manipulatief gebruik van wetten kan bestraffen, maar ze ook verbaal, met welgekozen signalen, kan stigmatiseren. Hij is nog steeds in staat zijn machtsbasis, de boerenbevolking en de industriële arbeiders, aan te spreken, omdat de politieke loyaliteit van dit segment van het electoraat nog altijd meer wordt bepaald door de aantrekkingskracht van machtssymbolen dan door de verdiensten van de vrije uitwisseling van denkbeelden. Als `voorzitter' van dit hele systeem is Miloševic een supra-politieke figuur. Hij wordt niet meer gezien als leider van een partij. Hij wordt niet met politieke criteria beoordeeld. En hij wordt ook niet verantwoordelijk gehouden voor de rampen die de Serviërs dit decennium hebben getroffen: die waren de schuld van de omstandigheden en vooral van het buitenland, de Kroaten, de Amerikanen, de Duitsers.

Thomas' boek is een uiterst verhelderende analyse van het systeem dat Miloševic de afgelopen twaalf jaar heeft opgebouwd. Het geeft antwoord op de vraag hoe de leider, wiens beleid twaalf jaar lang niets dan ellende heeft voortgebracht, niet alleen aan de macht is gebleven, maar in brede lagen van de bevolking nog altijd uiterst populair is. Het beschrijft bovendien waarom het onzinnig is te verwachten dat het Joegoslavië van nu een democratisch land kan worden zolang Slobodan Miloševic aan de macht is.

Robert Thomas: Serbia under Miloševic. Hurst & Company, 443 blz. ƒ63,70