De geur van hengsten

,,De enige kunstvorm die leven en werk samenbrengt' zegt Nell Stroud over het circus. Ze schreef een boek over haar loopbaan van stalschoonmaakster tot spreekstalmeester.

Toen ze laatst met haar verloofde op vakantie was, vertelt Nell Stroud, ging ze ergens op een schommel zitten. Zomaar, om een beetje te schommelen. ,,Maar op een gegeven moment vroeg hij waarom ik de hele tijd zo gebiologeerd naar de touwen boven mijn hoofd zat te kijken. Was ik soms bang dat ze me niet zouden houden? Ik was het me niet eens bewust dat ik dat deed. Maar toen hij dat vroeg, besefte ik dat ik twee jaren van mijn leven heb gevuld met kijken naar kabeltouwen. Die spanning heb ik altijd fascinerend gevonden, en dat gevoel kwam terug toen ik op die schommel zat. Het gebeurt me wel vaker. Ook als het hard waait, bijvoorbeeld. Dan denk ik meteen: ojé, de tent!'

Zoals ze hier zit, in het door volle boekenplanken gedomineerde kantoortje van haar literaire agent in het hart van Londen, is er weinig aan Nell Stroud dat doet denken aan het circus. De geur van paarden is hier ver weg. Ze maakt er, zegt ze, geen geheim van dat ze uit een net middenklasse-milieu komt. Als ik opmerk dat sommige Engelse kranten haar nogal karikaturaal hebben geportretteerd als een My little pony-meisje, antwoordt ze: ,,Oh, maar dat wàs ik ook!'

Op haar achttiende kon ze bij toeval, via een vriend, een zomerbaantje krijgen bij een circus. Daar raakte ze verslingerd aan de wereld waarover ze nu haar eerste boek heeft geschreven. Het heet Josser, naar het woord dat circusmensen gebruiken voor een buitenstaander.

In dit boek, deze week in het Nederlands verschenen onder de heel wat gewonere titel Circusmeisje, beschrijft Nell Stroud (26) wat er na dat zomerbaantje met haar gebeurde. Ze ging naar Oxford om Engels te studeren, maar bleef intussen naar het circus terugverlangen. Haar heimwee werd versterkt nadat haar moeder een blijvende hersenbeschadiging had opgelopen na een val van een paard. Haar idyllische jeugd in the country – tussen paarden en geurende tuinen – was nu definitief voorbij, stelde Nell Stroud vast. Haar vroegere leven bestond niet meer; ze had niets meer om op terug te vallen. Zodra haar studie was voltooid, ging ze bij het dichtstbijzijnde circus een baantje vragen. Ze begon er als schoonmaakster in de stallen en eindigde, twee jaar geleden, bij een ander circus, Circus Santus, als spreekstalmeesteres op haar eigen paard. ,,Nee, ik was niet op de vlucht voor het verleden,' schrijft ze aan het eind van haar boek, ,,ik was op zoek naar een toekomst.'

In tere bewoordingen, en soms ook in nog wat meisjesachtig-poëtische passages, doet de debuterende schrijfster verslag van het zware circusleven, dat haar uiteindelijk te zwaar werd om er voorgoed deel van te worden: altijd keihard werken, altijd vuil, altijd op modderige terreinen aan de buitenkant van de bewoonde wereld. Ze vertelt van de verschillende soorten circus die er zijn, en over het onzekere bestaan van het circus dat in Engeland, nog meer dan elders, naar de marge van de maatschappij is geduwd. Van binnenuit roept ze een levendig beeld op van het koppige bestaan van de circusmensen, veracht door veel brave burgers, maar tegelijk overtuigd van hun eigen superioriteit ten opzichte van die buitenwereld. ,,Voor zover ik weet,' constateert ze halverwege haar boek, ,,is het circus de enige kunstvorm waar leven en werk volkomen samenvallen; de essentie van het circusleven kan nergens anders vorm krijgen. Als je eenmaal bij het circus hebt gehoord, voel je je in geen enkele andere wereld meer thuis.'

Ook de laatste twee jaren, buiten het circus, kon ze zich er niet volledig van losmaken, zegt Nell Stroud. ,,Ik woon buiten de stad, en als ik 's morgens wakker word, is het doodstil. Vaak bekruipt me dan een hevig verlangen naar het ontwaken in een circus. Naar alle geluiden die je daar 's morgens hoort, naar de nieuwe dag die om je heen begint. Mensen die gaan ontbijten, mensen die de dieren eten geven, mensen die al begonnen zijn met allerlei spullen te sjouwen. Maar allereerst moest ik van mezelf dit boek schrijven. Die behoefte tot schrijven heb ik altijd gehad. Ik kan vrij gemakkelijk iets om in alle bijzonderheden oproepen, alsof ik er door een vergrootglas naar kijk. In mijn circusjaren heb ik voortdurend een dagboek bijgehouden, en ook heb ik heel veel brieven naar huis geschreven. Later kreeg ik van mijn vader zelfs een elektrische schrijfmachine die op batterijen moest werken, omdat ik in mijn caravan geen stopcontact had. Ja, ik kon daar ongestoord schrijven. Juist omdat je in een circus zo dicht op elkaar zit en zo weinig privacy hebt, wordt ieders caravan door circusmensen beschouwd als een soort heilige veste. Je zult nooit zonder kloppen bij iemand anders naar binnen lopen.'

Ook terwijl ze aan haar boek werkte, hield ze intensief contact met de circuswereld. ,,Ik beschouw mezelf als een schrijfster, wier muze het circus is,' zegt ze. ,,Het zou me met trots vervullen als ik een soort chroniqueur van het circus zou worden. Over de circusgeschiedenis bestaan veel gedegen boeken, maar over het hedendaagse circus wordt nauwelijks op academisch niveau meer geschreven. Terwijl er heel veel gaande is. Al was het maar de angstwekkende manier waarop de autoriteiten tegenwoordig optreden tegen ongeautoriseerd vertier. Dat gaat van een café waar geen levende muziek mag worden gespeeld, omdat er een bepaald aantal vierkante meters lucht onaangetast moet blijven, tot de reclameborden voor een circus die in beslag worden genomen omdat ze net ergens zijn geplaatst waar dat niet schijnt te mogen. Er mag steeds minder, en het circus is daarvan steeds het eerste slachtoffer.'

Nell Stroud als officieel pleitbezorgster en woordvoerder van het circus?

,,Ik zou dat een eer vinden, zo lang het gaat over het circus als kunstvorm. Maar ik wil me bijvoorbeeld verre houden van de politiek geladen discussie over het optreden van dieren in het circus. Ik heb met eigen ogen gezien hoe zogenaamde dierenbeschermers op een beledigende manier actie voerden tegen circusmensen die zielsveel van hun dieren hielden, en tegelijk heb ik begrip voor de andere kant van het verhaal. Tijgers of beren of zebra's in een circus zeggen mij persoonlijk niet zo veel. Ook vind ik het oninteressant om te zien hoe een poedel een kinderwagentje voortduwt. Het enige dier dat wat mij betreft onlosmakelijk met het circus is verbonden, is het paard. Vanouds heeft het iets theatraals; de schoonheid van het paard komt het best tot haar recht in een theatrale omgeving. Bovendien vormen mens en paard een eenheid. Ik ken nauwelijks een krachtiger beeld dan de afbeelding van een wezen dat half mens en half paard is.'

Geestdriftig vertelt ze van Circus Gruz, dat ze vorig jaar zag in Parijs, in het Bois de Boulogne. Daarin draafden twee paarden door de piste, elk bereden door een meisje dat het uiteinde van een lange lat vasthield. Over die lat sprong een derde paard. ,,Het is heel moeilijk om paarden tegen elkaar in te laten draven. Maar misschien is het wel de tragedie van het circus, dat het publiek niet meer beseft hoe moeilijk sommige nummers zijn. Zelfs de mensen die in de kranten over circus schrijven – voor zo ver dat althans nog gebeurt – hebben daar geen verstand van. Eerlijk gezegd is dat voor mij één van de redenen om blij te zijn met het Cirque du Soleil. Weliswaar treden daarin geen dieren op, maar toch liggen hun wortels in het circus en door hun presentatie slagen ze erin duidelijk te maken hoe moeilijk sommige trucs zijn. Bovendien boren ze een publiek aan dat eerder naar musicals gaat dan naar een circus. En dat is belangrijk, want in de Engelse kindercultuur bestáát het circus al niet eens meer. Vroeger had je legpuzzels met een circustent erop, en in de kinderboeken van Enid Blyton kwam het circus ook vaak voor. Nu heb je alleen nog Ronald McDonald, maar dat is een Amerikaanse clown zonder enige poëzie, en losgemaakt van het circus.

,,Misschien moet het traditionele circus ook wel eens de hand in eigen boezem steken. Ik hoorde van een Cirque du Soleil-achtige voorstelling waarin alle artiesten alleen het hoogtepunt van hun nummer mogen laten zien. En zo gek is dat niet: als je eerlijk bent, moet je toegeven dat de meeste nummers uit een hoop opvulsel bestaan, en dat eigenlijk alleen de climax de moeite van het aanzien waard is. Het gaat wel ver om dan de hele rest weg te laten, maar het zou voor alle circussen de moeite waard zijn om zich af te vragen of er niet te véél opvulsel in de nummers zit.

,,Veel circussen zoeken nu hun heil in het lonken naar televisie-effecten. Ze gebruiken de herkenningsmuziek van film- en tv-series en trekken kostuums van tv-helden aan. Dan zie je Oosteuropese artiesten, die hun hele leven in dienst hebben gesteld van hun nummer, en zich dan uitdossen als Ninja Turtles. Of als Batman. Ik heb eens een schitterend Charlie Chaplin-nummer gezien, maar dat was tenminste heel goed en gevoelig en nostalgisch getint. Van de Ninja Turtles word ik alleen maar triest. Het circus is een geheel eigen genre, dat moet kunnen voortbestaan zonder te lenen van andere genres.

,,Het beste circus is, denk ik, het circus dat eerlijk voor zichzelf uitkomt. Het circus waar ik na mijn studietijd begon, was heel agressief bezig groter te lijken dan het was. De directeur gedroeg zich alsof hij vijftig olifanten had, terwijl het er maar drie waren. Dat is dus de manier niet. Wie met weinig middelen toch de Amerikanen probeert na te doen – met tweehonderd olifanten en zestig clowns in drie pistes tegelijk – gaat onherroepelijk zijn ondergang tegemoet. Daar trapt het publiek niet meer in. Aan de andere kant heb ik in Frankrijk een prachtig voorbeeld gezien van een klein circus met bescheiden mogelijkheden, dat een lichtmast had met niet meer dan twee blauwe peertjes erin. Zodra je de tent binnenkwam, kreeg je het gevoel dat je in een film van Fellini stond. Dat vind ik een eerlijke en tegelijk fantasierijke aanpak, waardoor je onmiddelijk voor zo'n circus wordt ingenomen.'

Zelf heeft Nell Stroud inmiddels een Spaanse hengst gekocht, die ze nu traint. Na haar huwelijk (volgende week) en de daaropvolgende huwelijksreis koopt ze er een merrie bij, in de hoop op nageslacht. Met de dieren, en met haar als landschapsarchitect opgeleide echtgenoot, denkt ze vervolgens een eigen circus te beginnen. ,,Wat het wordt, weet ik nog niet, maar ik wil proberen iets op te zetten in de hoek van de dressuurdemonstraties. Wel circusachtig, maar niet iets waarmee we tien maanden van het jaar op reis moeten zijn.' Ook is ze al begonnen aan haar tweede boek, waarin ze een beschrijving van haar eigen vorderingen met de hengst zal combineren met historische gegevens over paardendressuur in de negentiende eeuw.

Nu al kijkt ze verlangend uit naar het moment waarop ze spreekstalmeesteres van haar eigen circus zal zijn: ,,Ik geloof niet dat ik die rol tot dusver erg goed speelde. In andermans circus schoot ik te kort in de vereiste bombast en humbug. Maar als ik straks zelf ook degene ben die de leiding heeft, moeten de hyperbolen in overvloed op me af kunnen komen.'

Nell Stroud: Circusmeisje. Meulenhoff, ƒ39,90.