Als de schilder de natuur overwint

Willem den Ouden is de schilder van hemel en aarde. En, zoals het de kunstenaar van dit genre betaamt, leeft hij stilletjes aan een dijk in de Betuwse uiterwaarden, waar het blauw en het groen plus alle tussentonen de dorpen en boerderijen tot Märklin-formaat reduceren. Het vlakke waterland heeft er een soort Hollandse kuisheid behouden. Al denk je daar verderop, in de file, bij de brug van Zaltbommel weer radicaal anders over.

Behalve in De Beyerd in Breda, waar een overzicht van Den Oudens werk is gepresenteerd, biedt ook de net verschenen monografie Willem den Ouden een panorama op de tekeningen, schilderijen en grafiek die eerder en vanaf 1963 in dat ruime rivierlandschap en in dat Varikse dijkhuis zijn ontstaan. Geen publicitaire gelegenheid heeft Den Ouden (Haarlem, 1928) de afgelopen jaren voorbij laten gaan om dit gebied aan te prijzen, om de veel van het verleden verwoestende dijkverzwaring te bestrijden en om de aandacht te vestigen op zijn hachelijke positie, toen omwonenden hem in 1995 min of meer de schuld van de wateroverlast in de schoenen schoven.

Hij vond steeds steun en sympathie bij de schrijvende medemens, reden waarom in het boek journalisten en literatoren royaal zijn vertegenwoordigd. Willem van Toorn dicht over de kunstenaar en `het tergend wit dat wacht op het bewegen van zijn hand'. Nicolaas Matsier blijft dicht bij het water en personifieert de Waal: `Om mij te zien moet men zich vestigen/en oefenen in onbeweeglijkheid./Men moet zijn ogen jaren sluiten/en alle taal en elke Waal vergeten.' Vooral die laatste zin doet recht aan het zo eigen handschrift van Den Ouden en toch ook aan de universele beleving van wat het weidse water vermag dat diens riviergezichten kunnen prijsgeven.

Wie is niet blij als Ed Leeflang met hem oploopt en meekijkt en daar dan in onopgesmukte Hollandse dichtzinnen verslag van doet? `We streken neer hier voor een boterham./Het schip vaart in de richting van de Rijn./Zoveel geboorte voor dit samenkwam./Maar jij wil vrolijker dan toeval zijn.' Zijn grootste fan moet Den Ouden in journalist Ben van der Velden herkennen. In diens lange, anekdotisch getinte inleiding haalt hij herinneringen op aan de Meester. Elke ontmoeting, met of zonder wijn, staat als een pauselijke audiëntie in het geheugen gegrift.

Het is waar. Den Ouden is een meester. Hij weet als geen ander hoe het luchtruim zich op het platte vlak laat aftasten. Niet in lijnen van onmacht - hoe teken je anders wat zich in vlekken en lichtbundels voordoet - maar in een aarzelend `neerzijgen' van het lithopotlood, in een driftig, maar trefzeker krassen op de etsplaat, in een explosief penselen van zonnestralen, waarover zijn negentiende-eeuwse collega William Turner graag een woordje met hem had gewisseld. Wolken pakken samen, breken open, razen voort, rusten uit, en laten land en water gelaten afwachten.

Waren het in de jaren vijftig nog bekwame notities van tram- en theaterinterieurs, `via de behoedzame weg van de geleidelijkheid', zoals Betty van Garrel in verreweg de meest persoonlijke bijdrage optekent, wordt zijn blik verruimd en krijgt hij steeds meer greep op het hemelgewelf. Elke weersgesteldheid moet eraan geloven en elke ruimtelijke vogelbeweging kan volstaan met wat krasjes van het burijn - maar dan wel sublieme krasjes. Deze geëtste vergezichten winnen het, wat mij betreft, van de `natte' aquarellen, hoewel een `Waal met onweerslucht' - je hoort het donderen naderen - de oneindigheid biedt van een atlantische overtocht. En ze winnen het ook van de schilderijen, die, hoe knap ook, niet die koortsachtige meeslependheid kunnen bereiken van een hortend en stotend potlood.

Het boek biedt de visuele bewijsvoering van de ontwikkeling die men als kunstenaar moet doormaken om méér te worden dan een `hype'. Een leven lang kijken en vertalen leidt tot steeds meer zien en steeds subtieler interpreteren. Dat de verworven souplesse tussen oog en hand niet in routine ontaardt, is een strijd die Den Ouden tot nu toe glansrijk heeft gewonnen. Zoals de Amstel van Rembrandt is geworden, zo zullen de rivieren in de Betuwe altijd even aan een ets van Den Ouden doen denken.

De expositie in De Beyerd (Breda) is nog open t/m 2de Pinksterdag, van 13 tot 17 uur.

Willem van Toorn, tekstred.: Willem den Ouden. SUN, 200 blz. f 69,50