Adolf Hitler: Mein Kampf, 1925/1926

Het schrijven van Mein Kampf was voor Hitler een zaak van ondergeschikt belang. Daarover kan geen misverstand bestaan. Al in het Voorwoord merkt hij op: `Ik weet zeer goed dat iedere grote beweging op aarde haar groei aan haar grote redenaars en niet aan haar grote schrijvers te danken heeft'. Alleen omdat een gevangenisstraf na de mislukte staatsgreep van 1923 hem het publieke spreken onmogelijk maakte, greep hij naar de pen om zijn gedachten te ordenen. Maar zijn stellige overtuiging bleef: enkel het gesproken woord geldt.

Ondanks deze relativering door de auteur zelf en meer nog ondanks de reputatie van Mein Kampf kan men proberen het boek enigszins onbevangen te lezen. Zijn de achthonderd bladzijden, hoe men ook over het gebodene oordeelt, een volslagen onleesbare warboel, zoals zo vaak wordt beweerd? Nee. Naast duistere redeneringen bevat Mein Kampf veel en soms zelfs goed geschreven bespiegelingen en vormt een onmisbare bron voor iedereen die iets wil weten over de opkomst en neergang van Adolf Hitler.

Het is goed om de context voor ogen te houden waarin het boek tot stand kwam. De periode in de gevangenis is het begin van de Führer-cultus, waarin Hitler zelf ook gaandeweg begon te geloven. Mein Kampf is een poging tot rechtvaardiging en cultivering. Hitler schetst uitvoerig zijn levensloop tot dan toe en geeft hij zijn overtuigingen een vastere vorm. Het eerste deel, getiteld Een afrekening, is overwegend autobiografisch en werd juli 1925 gepubliceerd. Het tweede deel, De nationaal-socialistische beweging, bevat meer zijn receptuur voor partij en vaderland en bereikte in december 1926 het publiek.

Mein Kampf is een waardevolle bron, al moet het zelfportret van Hitler als eenling in een vijandige omgeving met de nodige scepsis worden bezien. Er zitten vele hiaten en verdraaiingen in de levensloop zoals Hitler die weergeeft, maar tegelijk komen we openhartige wendingen in zijn relaas tegen. Zoveel, dat hij later betreurde het boek te hebben geschreven, ook al omdat hij nogal duidelijk was over zijn machtsstreven in Europa.

Zijn relaas begint met de beschrijving van het conflict met zijn vader, die wordt geportretteerd als een geborneerde burgerman. Het meningsverschil betrof vooral de ambitie van de jonge Adolf kunstschilder te worden. `Ik werd misselijk bij de gedachte, eens als onvrij man op een bureau te moeten zitten'. Telkens wordt het beeld opgeroepen van een eenzame figuur, die tegen de verdrukking en de armoede in zijn weg vervolgt. Met die armoede viel het reuze mee. Maar Hitler wil het verhaal vertellen van een autodidact die dicht bij de ervaringen van het volk staat, weet wat lijden en vernedering is en langzaam een visionair inzicht verwerft over zijn Duitsland.

Om dat beeld te versterken noemt hij weinig namen van mensen aan wie hij schatplichtig is. Een mythe verdraagt nu eenmaal niet al te veel antecedenten. Hitler trekt zichzelf aan zijn haren uit het moeras en verdoezelt zijn nederlagen allerminst. Zo lezen we over de afwijzing na het toelatingsexamen voor de kunstacademie: `Ik was van het succes zo overtuigd, dat het mij trof als een bliksemslag uit heldere hemel, toen men mij mededeelde dat ik afgewezen was. En toch was het zo'.

De passages met de meeste zeggingskracht zijn gewijd aan zijn jeugd en vooral aan het uitbreken van de oorlog: `Voor mij betekenden die uren de verlossing uit de benauwde ban van die `ordelijke en vreedzame toekomst', welke mijn jeugd had vergald. Ik schaam mij ook heden niet, om te zeggen, dat ik, ten prooi aan overweldigende geestdrift, op mijn knieën ben gevallen, om de hemel uit de diepte van mijn overvol hart te danken, dat mij het geluk was toebedeeld, in deze tijd te mogen leven'. De verbittering na de nederlaag zou niet minder hevig blijken.

Wanneer verdichtten Hitlers indrukken zich tot een wereldbeeld? Zijn jaren in Wenen hebben zeker een belangrijke invloed gehad. Maar in München, na het einde van de Eerste Wereldoorlog, vindt de echte omslag plaats. Vooral de ondergang van het keizerrijk in 1918 en de kortstondige Sovjet-republiek die in München werd uitgeroepen zijn traumatische ervaringen. Hitler zou in het militaire hospitaal van Pasewalk, waar hij aan het einde van de oorlog belandde, de gedachte van het joodse en marxistische verraad van het Duitse volk tijdens de oorlog hebben opgevat, met als conclusie de roep om vergelding.

Hitler beweert zelf dat zijn ideeën zich al in Wenen, dus tien jaar eerder, tot een `granieten' fundament hebben gevormd. Het is een merkwaardig beeld dat hij schildert van zijn bekering tot het anti-semitisme. Gevoelsmatig zegt hij aanvankelijk te hebben gewalgd van de anti-joodse sentimenten om hem heen, maar langzamerhand wonnen de rationele inzichten over de ondermijnende rol van joden het: `Deze verandering van overtuiging heeft mij veel innerlijke strijd gekost, en eerst na maandenlang worstelen tussen verstand en gevoel begon het verstand langzamerhand de overhand te krijgen. Twee jaar later was het gevoel het verstand gevolgd en was vanaf die tijd zijn trouwste wachter en waarschuwer'.

In Mein Kampf heet het: `Mit dem Juden gibt es kein Paktieren, sondern nur das harte Entweder-Oder'. Of zulke zinnen en vooral ook de ziekelijke metaforen die Hitler gebruikt om de joden te typeren – `parasiet', `bacil', `bloedzuiger' – al een duidelijk voornemen tot genocide laten zien is veel minder duidelijk. `Wij zullen onze gezondheid alleen weer terugkrijgen, wanneer wij de jood elimineren', schrijft Hitler. De verleiding om in zulke formuleringen een omlijnd plan te zien is heel sterk, waarschijnlijk te sterk.

Dat het boek een bewuste dramatisering van zijn biografie is, blijkt ook uit zijn beschrijving van het besluit om in de politiek te gaan. Na die omineuze zin over het jodendom volgt namelijk een slotzin die niet minder geladen is: `Ich aber beschloss, Politiker zu werden'. Velen hebben deze passage onderstreept, hoewel niemand nog gelooft dat Hitler werkelijk op de dag van de Duitse capitulatie het besluit heeft genomen om in de politiek te gaan.

Wat zijn de wezenlijke kenmerken van zijn wereldbeeld? De belofte van nationale vitalisering na het `verraad' van november 1918, het darwinistisch gemotiveerde doel van een verovering van `Lebensraum' in het Oosten en de weg daarheen door middel van een `vernietiging' van het marxisme en het jodendom, die steeds meer tot een complex van `judeo-bolsjevisme' aaneen worden gesmeed. De orginaliteit van Hitler lag niet zozeer in de elementen waaruit zijn wereldbeeld was opgebouwd, maar in de verbinding van al die opvattingen tot een radicaal idee over het `rassenprobleem', dat het allesoverheersende vraagstuk werd geacht te zijn.

Kenmerkende apocalyptische zinnen: `Menselijke cultuur en beschaving zijn in dit deel van de aarde onverbrekelijk verbonden met de aanwezigheid van de ariër. Zijn uitsterven of ondergang zal op deze aardbol weer de donkere sluier van een cultuurloze tijd doen neerdalen'. De zuiverheid van het ras is doorslaggevend: `De zonde tegen bloed en ras is de erfzonde van deze wereld en het einde van een mensheid, die zich eraan overgeeft'. Het is dus een strijd op leven en dood: `Op het eind overwint altijd alleen de zucht naar zelfbehoud. Onder deze zucht smelt de zogenaamde humaniteit als sneeuw voor de zon in maart. In eeuwige strijd is de mensheid groot geworden - aan eeuwige vrede gaat zij ten gronde'.

Uit zijn beschouwingen over de rol van propaganda spreekt een onverholen minachting, die maar al te effectief bleek te zijn: de massa's zijn lichtgelovig, haken naar illusies, hebben uitbundige gevoelens en zijn niet geïnteresseerd in de waarheid. Vooral mag nooit de fout worden gemaakt om te nuanceren over de schuldvraag. Hitler spreekt met grote waardering over de Engelse oorlogspropaganda en hekelt de Duitse zwakte: `De massa is niet in staat te onderscheiden waar het ongelijk van de ander eindigt en het eigen gelijk begint'. Eindeloos herhalen en nooit terugkomen op leerstellingen: dat hield Hitler vol tot aan zijn zelfvernietiging.

Mein Kampf is een ware Fundgrube: een bij vlagen onleesbaar boek met tal van inzichtelijke beschouwingen; een afstotelijk wereldbeeld vergezeld van soms aanstekelijke autobiografische schetsen; een waardevolle bron als men de stilering van Hitlers levensloop onderkent; een verzameling van traditionele denkbeelden over ras en territorium geënt op een moderne techniek van verleiden. Kortom, Mein Kampf biedt toegang tot leven en werk van Hitler, die als geen ander onze eeuw heeft getekend. Het boek dient dan ook in een goed geannoteerde versie verkrijgbaar te zijn en te kunnen worden gelezen.

Adolf Hitler: Mein Kampf. Zentralverlag der NSDAP (München), 1925/1926. Alleen antiquarisch en in sommige bibliotheken verkrijgbaar.