Van corset tot strompeljapon

De kunst en kunstnijverheid waarmee onze voorouders zich rond de eeuwwisseling omringden, krijgen, na een lange periode van verguizing, de laatste twintig jaar steeds meer waardering. De prijzen op de veilingen stijgen. Een nieuwe beurs in Amsterdam voor art deco, art nouveau, Wiener Werkstätte en aanverwante `nieuwe' stijlen, vorige maand, sloeg internationaal aan.

Het Rijksmuseum in Amsterdam draagt een steentje bij met de tentoonstelling Traditie en vernieuwing. Kostuum rond 1900. De kleine presentatie in de Zuidvleugel toont een selectie kostuums en textiel uit de eigen collectie van het museum. De conservatoren Bianca du Mortier (kostuums) en Ebeltje Hartkamp-Jonxis (textiel) schreven een begeleidende catalogus onder de titel Neo tot Deco. Ongeveer negentig voorwerpen zijn er te zien, variërend van wandtapijten, gordijnen en meubels tot japonnen, korsetten en parasols.

De kledingcollectie van het Rijksmuseum bestaat van oudsher uit schenkingen van welgestelde Nederlandse families. Zo is het pikante Franse korset van zwart satijn met zwart kant en gele zijden linten omstreeks 1900 gedragen door de Amsterdamse mevrouw A.M. van Eeghen-du Mée. Waar ze het kocht, is onbekend. Misschien in Parijs, waar ze veel van haar modieuze kleding kocht, misschien gewoon in de Leidsestraat bij Hunkemöller Lexis dat zich daar in 1889 als `Corsetten-Magazijn' vestigde.

In 1899 begon de `Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding' te wijzen op de gevaren van de ingesnoerde wespentaille. In de mode kwam een eind aan de queue de Paris, het monstrueuze staartvormig aanhangsel, waarmee men via een inklapbare `tournure' kon gaan zitten. Rond de eeuwwisseling brak de vernieuwing aan. Het silhouet werd breder, robuuste `schapenboutmouwen' en klokkende rokken kwamen in de mode. In Parijs werd de style empire geïntroduceerd: een recht silhouet met hoge taille, waaronder men vrij zou moeten kunnen bewegen. Maar ook hieronder zwoer men het knellende keurslijf nog niet af. Bovendien ontaardde de rechte lijn in steeds nauwere lange rokken waarin de draagster zich slechts voetje voor voetje kon voortbewegen. Zo'n `strompeljapon' is in het museum vertegenwoordigd met een roze satijnen exemplaar uit ongeveer 1911 met een enorme roos op de boezem.

Ook verschenen voor het eerst losse rokken met blouses en mantelpakken. Een militair ogend voorbeeld van een wit `costume tailleur', met bolle knopen, tressen en sierstiksels tooide ooit `mevrouw W.C.L. Hooft Graafland van Schotervlieland- geb. jkvr. Van Oldenbarneveld genaamd Witte Tulling'.

Wat opviel bij de voorbereiding van de expositie was, volgens Bianca du Mortier, dat de veranderingen in mode en textiel veel minder abrupt waren dan gedacht. ,,In de kostuumliteratuur wordt gedaan alsof er in 1900 een gigantische ommezwaai was waarbij à la minute het corset weg was. Door tijdschriften uit die tijd te bestuderen, merkten we dat de overgang heel geleidelijk is gegaan. Het heftig getailleerde ging via ruimere jurken met ingebouwde corsetten langzaam over op japonnen waarin geen corset meer zat.''

Ook de textiel in het Nederlandse interieur onderging langzaam een grote verandering. De traditionele historiserende dessins bleven nog lang in zwang, maar werden geleidelijk vervangen door de gestileerde, golvende vormen van de Nieuwe Kunst, de Nederlandse variant van de Art Nouveau, of door aan de natuur ontleende motieven van de Arts & Crafts beweging.

Het Rijksmuseum verzamelt vooral Nederlandse en West-Europese stoffen van hoge artistieke kwaliteit. Er zijn stoffen bij van bekende ontwerpers als Theo Nieuwenhuis (1866-1951), die complete interieurs ontwierp waarin meubels en stoffering op elkaar waren afgestemd. Hij maakte onder meer gebruik van klassieke motieven als spitsovaal en granaatappel. Typisch voor Nederland is ook de van de Javanen afgekeken batiktechniek. De Nederlandse kunstenaar Carel Adolph Lion Cachet (1864-1945) was de eerste die ermee experimenteerde. Van hem is een wanddoek met een Oosterse krijger te zien en een interieurstof met zeemeerminnen in de vorm van wajangpoppen gemaakt voor de Stoomvaart Maatschappij Nederland

De presentatie wordt gehouden in één ruimte met beneden in vitrines kleding, parasols en meubels en boven op de galerij textiel, waarbij ook een mooi kamerscherm uit 1902 van de Apeldoornse architect Christiaan Wegerif (1859-1920). De opstelling is stijlvol en sober, zonder bijzaken. Het zijn de voorwerpen zelf die, bijgestaan door tekstbordjes, het verhaal van die opmerkelijke periode voor de textiel moeten vertellen.

Tentoonstelling: Traditie en vernieuwing. Textiel rond 1900. Rijksmuseum, Zuidvleugel, Hobbemastraat 19, Amsterdam. T/m 19 september. Dag 10-17 uur. Volw. ƒ15, kind. tot 18 jr ƒ7,50. Inl 020-6747000.