Soldaten van Oranje

`Museum Suriname', staat er boven de deur van wat ooit een schoolgebouw moet zijn geweest. Binnen is een groot klaslokaal ingericht als tentoonstellingsruimte. De ongeveer vijfentwintig belangstellenden luisteren naar de inleiding van Waldo Heilbron. ,,Suriname is altijd enorm betrokken geweest bij de Tweede Wereldoorlog, ook al vonden er geen oorlogshandelingen plaats'', zegt Heilbron. ,,Zo heeft de Surinaamse bevolking geld bijeengebracht om een Spitfire voor te kopen. Op 18 december 1940 kon gouverneur Kielstra koningin Wilhelmina trots telegraferen `dat het hem een voorrecht was om namens de bevolking achtendertigduizend gulden aan te bieden'. Zo mogelijk moest de Spitfire naar Suriname vernoemd worden. Wij hebben deze kleine expositie ingericht om de Surinaamse oud-strijders op een voetstuk te plaatsen. Ik vind het erg fijn dat enkelen van de oud-militairen vandaag aanwezig zijn en ik geef graag het woord aan de heer William Watson.''

Een keurige heer met glimmend gepoetste schoenen komt naar voren en vertelt met zachte stem dat het hem voornamelijk gaat om het doorgeven van het verhaal aan de jeugd. Op zijn linkerrevers prijkt een lintje. ,,We gingen in twee groepen van tweehonderd man naar Australië voor onze opleiding. Als je `pa' in problemen raakt, help je hem, ook al is het je stiefvader. Daarna werden we naar Nieuw Guinea en naar Borneo gestuurd om mopping up-operations te gaan doen. Dat was het opsporen van achtergebleven Japanners.''

,,Jullie mochten voor vijfenzestig gulden per maand sneuvelen in de Oost!'' roept ineens een opgewonden man uit het publiek. ,,Zo lagen de koloniale verhoudingen. Jullie hebben in '44 en '45 daar gevochten. Vertel de mensen nu wat er gebeurde toen jullie terugkwamen in Suriname!''

,,Toen we terugkwamen werd achtennegentig procent van ons afgekeurd door dokter Batenburg. `Je hersenen zijn niet in orde, wegwezen!' was zijn oordeel. Terwijl ze ons een baan bij de politie of bij de douane hadden beloofd. Maar toen de Koreaanse oorlog in 1953 uitbrak, werden we weer goedgekeurd. Toen hebben we ontdekt dat het slimmer was om naar Nederland te gaan en daar beroeps te worden. Ik ben tot 1974 in dienst gebleven als korporaal-kok, maar mijn vriend Haakmat heeft het zelfs tot adjudant geschopt.

Ineens mengt een andere man zich in het gesprek. Het is een tandeloze Surinamer met een koket hoedje op. Zijn ogen staan wild en hij priemt met zijn vinger in de lucht. ,,Toen de oorlog afgelopen was zei de generaal tegen ons: `Mannen nu gaan we door om de Javaan een kopje kleiner te maken.' Dat hebben we met zijn allen geweigerd. Wij zijn kolonialen en we schieten niet op andere kolonialen. Bovendien wonen er Javanen in Suriname. Toen is luitenant Westerling gekomen. Jullie weten wat hij gedaan heeft.''

Mevrouw Diana Fräser van het Museum Suriname grijpt in. Ze zegt dat de heer Semmoh niet zo emotioneel moet zijn en vraagt aandacht voor de vrouwen die in het Nederlandse leger hebben gediend. In de zaal zit mevrouw Tjien Fooh, een vriendelijke tachtiger. Ze is vergezeld van haar dochter. Die leest een brief voor die haar moeder van de staatssecretaris van Defensie heeft ontvangen. Het gaat om een uitkering van ƒ1.000 in het kader van de Wet Uitkering Veteranen. ,,Geachte heer'', leest de dochter voor. ,,Zó gaan die bakra's met ons om!'' poneert de man van de koloniale verhoudingen. Maar mevrouw Tjien Fooh vindt de brief toch erg leuk. ,,Je bent toch iets waard geweest,'' zegt ze.