Productiviteit is ook kwestie van langer werken

De informatie-revolutie is bezig de productiviteit duurzaam te verhogen, zo luidt één verklaring voor de hoge beurskoersen. Maar werken we door computer en telecom werkelijk efficiënter, of werken we ongemerkt gewoon langer?

Telefoon op de A4. Of alles geregeld is voor morgen. Zeker, maar toch nog even naar collega bellen voor de zekerheid. Die blijkt overigens nog een goed idee te hebben, dat terstond wordt doorgepraat. Misschien dat de man in New York daar ook wel zin in heeft, vanavond even bellen. Moet dan toch nog even in e-mail kijken of dat rapport al binnen is, te nieuwsgierig om tot morgen te wachten. Handig bovendien, want dan is het morgenochtend al bespreekbaar tijdens de rit van huis naar werk.

Hoe lang duurt een werkdag, wanneer is de werkweek afgelopen? De scheidslijn tussen arbeid en privéleven vervaagt. De moderne werknemer lijkt steeds integraler met zijn arbeid bezig: de randen tussen opstaan, werken, thuiskomen en slapengaan slapen rafelen af.

Het centrale thema op de financiële markten is op dit moment de arbeidsproductiviteit. Die productiviteit is een even essentieel als ongrijpbaar fenomeen. Essentieel omdat het wonder van de productiviteit wordt gezien als dé verklaring waarom, bij de voortgaande economische groei in de Verenigde Staten, de inflatie weigert op te leven. Dat geldt in zekere zin ook voor Nederland: sinds 1993 groeit de economie hier ruim boven het tempo dat voorheen werd gezien als de drempel waarna de arbeidsmarkt zo krap wordt dat de inflatie vanzelf opleeft. De stijging van arbeidskosten die het gevolg kan zijn van de krappe arbeidsmarkt, moet door een onderneming óf worden doorberekend aan de klant en zorgt zo voor inflatie, óf hij gaat ten koste van de winst. Het feit dat geen van deze gevolgen lange tijd opdook, is een van de belangrijkste krachten achter de beurshausse van vandaag.

Belangrijk als hij is, blijkt productiviteit moeilijk meetbaar. Op micro-niveau, bij bedrijven, gebeurt het wel. Maar zulke incidentele waarnemingen kunnen moeilijk leiden tot uitspraken te doen over de economie als geheel. Op macro-economisch niveau kan de productiviteit worden benaderd door de totale productie te verrekenen met grootheden als het aantal werknemers of de formeel door hen gewerkte uren.

Zo gaat de productiviteit aan het begin van een opgaande conjunctuur altijd vooruit: de productie trekt al flink aan, terwijl het aantrekken van benodigde nieuwe werknemers altijd trager verloopt. Heel even moet iedereen die al werkt er extra hard aan trekken. En aan het eind van een hoogconjunctuur gebeurt het omgekeerde: de productie loopt terug, maar het afvloeien van werknemers verloopt aanmerkelijk trager. De productiviteit zakt zo sterk in.

Toch is er los van alle methodologische voetangels, met name in de VS maar ook in Nederland te merken dat de productiviteitsstijging relatief hoog blijft, ook al zijn beide economieën al ver gevorderd in hun economische cyclus.

De technologische vooruitgang wordt gezien als de voornaamste oorzaak daarvan: door de integratie van de computer op de werkplek kan de werknemer meer doen in minder tijd. Dat loopt van kantoormedewerkers die documenten bewerken en doorsturen binnen een volledig geintegreerd computernetwerk, van een restaurant waar de obers met palmtops op het terras hun bestellingen opnemen en doorvoeren.

Dat zal ontegenzeggelijk zo zijn, maar misschien is er een extra factor in het spel. We werken efficiënter, misschien werken we ook harder, maar bovenal sijpelt de indruk door dat we vaker en méér werken. Door de mobiele telefoon is iedereen nu overal bereikbaar, zodat het tijdrovende vergadercircus dat van menig werknemer een fors deel van beschikbare arbeidstijd opslorpt, gaandeweg wordt verlegd naar buiten de formele werkuren. Dat geldt ook voor de thuiscomputer. Online met de zaak, via het internet en via email wordt er tijd besteed aan het werk op uren die een paar jaar geleden uitgesloten waren.

De trein, de auto, de avond, het weekeinde: de moderne werknemer is nergens meer veilig - en wil dat vaak, ondanks openbaar beleden blijk van het tegendeel, ook niet meer zijn. De informele werkuren rukken op, en als tegenhanger worden de formele werkuren minder formeel. De werkgever moet op zijn beurt niet zeuren als er de kinderopvang een keertje misloopt, de loodgieter eventjes moet worden gebeld of er met de makelaar naar een koophuis wordt gekeken. En de werkgever zeurt daar ook steeds minder over. Per saldo gaat hij er toch op vooruit.

Natuurlijk is de tendens nog lang niet volledig doorgedrongen op alle werkplekken. Zoals wel vaker begint hij in de hogere functies en sijpelt langzaam naar beneden. En er zal altijd productiewerk blijven dat aan strikte tijden en schema's gebonden is. Maar naarmate de dienstensector oprukt en de productiesector krimpt, wordt de scheidslijn tussen werk en thuis vager en vager. Die verandering is fundamenteel, maar ook natuurlijk. De strikte scheiding tussen arbeid en de rest van het leven stamt goeddeels pas van rond de industriële revolutie. Daarvóór vielen woonplek en werkplek in de regel samen, en liepen woontijd en werktijd door elkaar.

Met de telecom-revolutie van nu is locatie van minder belang. Maar leef-tijd en werk-tijd vervloeien wel. Is dat reden tot blijdschap? Voor veel werknemers misschien niet: de stress-factor wordt er behoorlijk door verhoogd. Maar dat is een kwestie van wennen. Het is te vergelijken met de productiviteitsstijging die aan het begin van elke opgaande conjunctuur wordt gemeten: de (in dit geval persoonlijke) organisatie van de arbeid loopt achter bij de stijging van de productie, waardoor er even extra hard gewerkt wordt.

Naarmate werknemers beter om leren gaan met werkwonen of woonwerken zullen zij zich meer persoonlijke activiteiten permitteren tijdens hun formele werktijd. Waarna de wonderbaarlijke extra productiviteitsstijging van vandaag de dag een gunstig, maar eenmalig fenomeen zal zijn gebleken.