Gezwiffelte maar geen evolutie

Op het VWO bogen 15.279 leerlingen zich gisteren over het eindexamen biologie. Wie dit examen goed maakt, hoeft geen enkel tentamen biologie te vrezen.

Het VWO-biologie-examen van 1981 was een lastige reeks opgaven. Wat is de kans dat de achternicht van iemand met bloederziekte kinderen krijgt met dezelfde aandoening? Wat is, gegeven nevenstaande grafieken, de transportcapaciteit van deze membraan? Hoe helpt de bloeddruk bij het zuiveringsproces van de nier? Dat soort: geen gezellige veldbiologische weetjes, maar exacte vragen. Het was zó lastig, dat de hulp van een van de andere geëxamineerden, die het lokaal al verlaten had, goed uitkwam. Hij stelde zich op achter een raam in een belendend lokaal. Juist buiten het gezichtsveld van de surveillerende leraar, maar de resterende ploeteraars kon zijn gebarentaal niet ontgaan: 1C, 2D, 3A.

Nu was hij nooit een held in biologie geweest, dus zijn suggesties werden wel op prijs gesteld, maar dat ik andere antwoorden had, was niet buitengewoon verontrustend. Pas nadat de bel was gegaan en de tijd nu echt op was, bleek dat iedereen die de klas verliet een voorgedrukt lijstje met de juiste antwoorden meekreeg. Dat voelde even als de laagste bloeddruk ooit gemeten. Het resultaat viel uiteindelijk mee. Het was in ieder geval niet zo teleurstellend dat moest worden afgezien van een studie biologie, waarbinnen trouwens ook geen plaats bleek ingeruimd voor prikkebeeninteresses.

Het eerste dat opvalt bij het examen van achttien jaar later is dat het exacte fundament van de 48 open en meerkeuzevragen niet is verzakt. Integendeel. Sommige vragen worden ingeleid door een paar alinea's uit de `literatuur': de roofvogelatlas van Rob Bijlsma of een stukje uit Natuur en Techniek. Andere vragen zijn uitsluitend op schema's gebaseerd. Ook is een folder bijgevoegd met achtergrondinformatie bij sommige vragen. De onderwerpen beslaan de hele breedte van de biologie: van ecologie tot erfelijkheidsleer, en van ethologie tot neurologie.

Een paar voorbeelden. Een kaartje geeft schematisch weer hoe een beek zich splitst om vervolgens in een rivier uit te monden. In de beek loost een fabriek afvalwater. Op welke plekken, luidt de opdracht, moeten op zijn minst watermonsters worden genomen om een uitspraak te doen over het vervuilende effect van de lozingen in de rivier? Dat is een kwestie van wegstrepen van dubbele metingen en zorgen dat een positieve en een negatieve controle zijn ingebouwd. Vervolgens worden vijf mogelijke monsters gegeven waarin zich een diverse verzameling geleedpotig en ander gezwiffelte bevindt. Welk van deze monsterpunten het minst vervuild is, valt na te slaan in de achtergrondfolder, waarin de beestjes op vervuilingsbestendigheid staan gerangschikt.

Behalve het `milieu' komen meer actuele onderwerpen aan bod. Zo is er een vraag over in vitro fertilisatie, over transgene planten en eentje – wat is 1981 lang geleden – over aids. En over lastig gesproken: ,,een passende reactie van het immuunsysteem op HIV wordt bemoeilijkt doordat er steeds nieuwe HIV-mutanten ontstaan. De oorzaak hiervan is dat, in tegenstelling tot datgene wat er gebeurt bij DNA-replicatie, er bij het kopiëren van het virale RNA naar DNA door middel van reverse transriptase controle en correctie van het nieuw gevormde DNA niet plaatsvinden.'' En er volgen vragen over de ziekte, variërend van moleculaire kwesties tot de symptomen. Dan is een `gouwe-ouwe'-vraag over het paargedrag van stekelbaarsjes eenvoudiger materie. Wie dit examen haalt, hoeft later in ieder geval geen enkel biologie-tentamen te vrezen.

Eén item schittert door afwezigheid: de evolutietheorie. Wanneer wordt die nu eens officieel geëxamineerd? Gevoeligheden van religieuze aard zijn toch eenvoudig te omzeilen door naar het theoretische karakter ervan te vragen, zou je zeggen. De theologie bestudeert toch ook elkaar uitsluitende leerstellingen?