Gemanipuleerde maïs doodt monarchrupsen

Stuifmeel van een wijdverspreide vorm van genetisch gemodificeerde maïs blijkt giftig te zijn voor rupsen van de monarchvlinder. Monarchrupsen leven van zijdeplanten, die vaak in de buurt van maïsplantages groeien. Dit melden drie entomologen van de Amerikaanse Cornell Universiteit vandaag in Nature. Tot nu toe werd aangenomen dat dit in 1996 toegelaten type maïs, dat al op een kwart van de Amerikaanse maïsvelden wordt toegepast (8 miljoen hectare), nauwelijks schadelijke bijeffecten had op dieren die geen bedreiging vormen voor de maïsproductie.

Het gaat om maïs die is uitgerust met een gen van de bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) dat een dodelijk gif maakt tegen de stengelboorder. In Nederland wordt deze Bt-maïs niet toegepast omdat de stengelboorder niet zo noordelijk voorkomt. Van de rupsen van de monarchvlinder die in een laboratoriumexperiment zijdeplantbladeren met een `normale' hoeveelheid Bt-maïsstuifmeel kregen te eten stierf meer dan de helft, rupsen die bladeren met gewoon stuifmeel kregen overleefden alle. Maïsstuifmeel wordt door de wind verspreid, en kan minstens 60 meter ver komen. Van het Bt-gif is bekend dat het giftig is voor bijna alle soorten rupsen.

Amerikaanse milieuactivisten hebben al laten weten de onderzoeksresultaten verontrustend te vinden. Maar een van de betrokken onderzoekers, John Losey, vermoedt dat dit zijeffect minder slecht is dan de negatieve gevolgen van conventionele gewasbeschermingstechnieken: spuiten met chemische middelen. De schadelijke larven van de stengelboorder zijn chemisch alleen te bestrijden door zeer intensieve bespuitingen.