Bokspringen

Eén jongen rechtop met zijn rug tegen het hek. De andere vijf of zes in een rijtje gebukt tegen hem aan. De rechterschouder tegen het achterwerk, het hoofd zoveel mogelijk weggedoken tegen het linker dijbeen van degene die voor je stond. De staander dirigeerde de rij tot een kaarsrechte rups op pootjes, de bok.

De andere ploeg, bestaande uit een zelfde aantal jongens, stelde zich een meter of tien achter de rups op om voldoende aanloop te hebben. Een voor een sprong je wijdbeens op de rij van ruggen, waarbij je je met twee handen afzette op de achterste rug. De beste springers eerst, het was zaak zover mogelijk vooraan te komen zodat er voldoende plek over bleef voor de rest van de ploeg.

Als de hele ploeg op de bok gesprongen was zonder dat iemand de grond geraakt had of er was afgevallen, stak de laatste man van de springploeg een, twee of drie vingers op en vroeg. `Ezel hoeveel oren heb je een, twee of drie'. Raadde degene die tegen het hek stond het juiste getal, er waren altijd wel getuigen in de buurt maar natuurlijk ook vriendjes die stiekem het aantal verklapten, dan werden de rollen omgedraaid en ging de springploeg staan. Wanneer de bok onder het gewicht in elkaar stortte moest deze opnieuw gaan staan.

Het samenstellen van de ploegen gebeurde volgens de methode van het `poot'n'. Twee jongens, meestal de initiatiefnemers of de twee beste bokspringers gingen op een meter of vijf van elkaar staan en liepen vervolgens op elkaar toe waarbij de hak van de ene schoen steeds tegen de neus van de andere werd gezet. Ze deden om de beurt een pasje. Er mochten ook halve poten worden gezet, de ene voet werd dan dwars voor en tegen de andere gezet. Degene die de laatste poot kon zetten zonder de andere poter te raken mocht beginnen met het om en om kiezen van een ploeggenoot. Deze methode van samenstellen van teams was ook gebruikelijk als er werd gevoetbald of bij andere spelletjes waarbij twee ploegen elkaar bestreden. Om uit te maken wie er mocht beginnen werd er getost, kop of munt.

Het was een ruw maar ook intiem spel dat bokspringen. Zo'n grote kluwen jongens op en onder elkaar. Soms liet iemand een scheet, wat tot hilarische taferelen leidde. Maar ook zonder dat waren er genoeg luchtjes te besnuffelen. De ene jongen rook naar de koeienstal, een ander naar zaagsel, gras of petroleum. Of naar iets waar hij net had `in gezeten'.

Maar de zoon van de slager rook altijd naar verse metworst.