Alleen in superlatieven te beschrijven

Woensdag 11 augustus 1999 zet een totale zonsverduistering Europa op klaarlichte dag in het donker. Gedurende enkele tientallen tellen tot maximaal 2 minuten en 23 seconden wordt het overdag nacht. De totale zonsverduistering passeert Nederland op nog geen honderd kilometer. Nederland zelf is pas op 7 oktober 2135 aan de beurt. De elfde augustus is een dag om naar uit te kijken.

NIET ALLEEN ECLIPSJAGERS, maar ook in het vak vergrijsde beroepsastronomen noemen een totale zonsverduistering een natuurverschijnsel dat op gelijk niveau staat met een vulkaanuitbarsting of een tornado. Een totale zonsverduistering is zo indrukwekkend `dat men zich geen moeite zou moeten besparen om er ten minste eenmaal een te zien te krijgen', schrijven zij tussen verbazend veel uitroeptekens.

De kneep zit hem in het woordje `totaal'. Een gedeeltelijke zonsverduistering is ook interessant, een bijna totale zonsverduistering kan zelfs erg interessant zijn, maar alleen de totale zonsverduistering is onvergetelijk. Dit jaar is er een totale zonsverduistering midden overdag, midden in de zomer, midden in de vakantie en op een steenworp afstand van Nederland, op woensdag 11 augustus. Het gebied waar dit zich afspeelt, wordt de totaliteitszone genoemd. De eclips begint om 12.12 uur 's middags in het Britse Cornwall en bereikt om tien voor half een Le Havre in Frankrijk. Daarna trekt de zonsverduistering verder richting Reims en Luxemburg, via Zuid-Duitsland naar Roemenië en Turkije. Zij eindigt in India.

Hoe meer naar het oosten, hoe groter de kans op een heldere hemel en dus op een goede waarneming van de zonsverduistering. In Iran bedraagt de kans op goed weer zelfs 90 procent. Verderop wordt het door moesson-activiteit weer snel minder. Volgens eclips-routiniers is het zaak een hoge waarnemingspost te betrekken, met vrij uitzicht op de vanuit het westen aanstormende maanschaduw en voldoende ver verwijderd van de heiïge lucht boven grote steden. Tenzij men juist geniet van de extra sensatie die de reacties van een grote mensenmenigte opleveren.

Het is bovendien verstandig een positie te kiezen van waaruit een snelle west-oost verplaatsing mogelijk is, want in de prakijk kan de laatste weersverwachting de doorslag geven. Daarbij valt te bedenken dat honderdduizenden of zelfs miljoenen Europese vakantiegangers tegelijk dezelfde gunstige plaats gaan opzoeken. Wachten tot het laatste moment is dus gevaarlijk, er is een grote kans op fataal oponthoud in files of overvolle stations.

De hoofdlijnen in de kosmografie achter de zonsverduistering zijn niet ingewikkeld. Door een merkwaardig toeval ziet de kleine maan er vanaf de aarde bijna even groot uit als de reusachtige zon. Omdat zowel de baan van de aarde om de zon als die van de maan om de aarde een ellips is, zit er wat speling in de hoek waaronder maan en zon gezien worden: de maan-diameter varieert tussen 90 en 106 procent van de zon-diameter. Vaak zal de maan de zon dus niet geheel kunnen afdekken (dan ontstaat een oninteressante, ringvormige zonsverduistering), maar regelmatig heeft zij zelfs overlap.

Een andere gunstige bijkomstigheid is dat de maan bijna in hetzelfde vlak om de aarde loopt als de aarde om de zon. Als de vlakken precies samenvielen zou elke nieuwe maan ergens op aarde de zon verduisteren. In werkelijkheid maken ze een hoek van vijf graden waardoor de maan nét langs andere sterren van de dierenriem trekt dan de zon. De twee snijpunten tussen de banen heten de knopen. Alleen als de maan in schijngestalte `Nieuwe Maan' niet te ver van zo'n knoop staat is er een goede kans op een zonsverduistering.

Een zeldzaamheid is dat niet: gemiddeld zijn er twee zonsverduisteringen per jaar, maar vaak zijn ze slechts gedeeltelijk en meestal ver weg. De typische baaneigenschappen van aarde en maan brengen met zich mee dat een vaste cyclus van zonsverduisteringen zich elke 18 jaar en 10 of 11 dagen (afhankelijk van de schrikkeljaren) herhaalt, zij het niet op dezelfde plaats op aarde. Dit is de Saros-periode.

Wat er als eerste opvalt, als men zich op 11 augustus in de totaliteitszone bevindt, is dat vijf kwartier voor het moment van de lokale totaliteit aan de rechterkant een deukje in de zon verschijnt. Dit zogenoemde `eerste contact' kan en mag alleen met een eclipsbril worden bekeken. De snelheid waarmee het silhouet van de maan van rechts naar links verder schuift is een aardige weergave (in feite een kleine onderschatting) van de snelheid waarmee de maan altijd al tussen de sterren beweegt. Die snelheid wordt voornamelijk bepaald door de snelle omloop van de maan om de aarde, de draaiing van de aarde om zijn as verkleint het effect in feite.

Een halfuur na het eerste contact zal het opvallen dat de lichtvlekjes die de zonnestralen door openingen in gebladerte of rieten stoelen op de grond werpen niet langer rond zijn, maar een inham vertonen. De lichtvlekken zijn projecties van de zon en bieden een precieze kopie van de gebeurtenissen hogerop.

In het laatste kwartier voor de totaliteit, als de zon tot een spleetvormige lichtbron is gereduceerd, wordt duidelijk dat schaduwen, bij voorbeeld die van de eigen hand, niet in alle richtingen even scherp zijn begrensd. Met wat geluk worden op grote, egaal witte achtergronden in de laatste minuten ook de intrigerende schaduwbanden zichtbaar. Dat zijn – waarschijnlijk – projecties van inhomogeniteiten in de aardse atmosfeer. Zij zijn tot op heden niet of nauwelijks gefotografeerd.

In de laatste seconden voor de totaliteit, die met het `tweede contact' inzet, verduistert in het westen de horizon: dat is de maanschaduw die met een snelheid van meer dan duizend kilometer per uur nadert. Zoals de andere schaduwen is deze schaduw niet te zien door de eclipsbril, die bril moet nu áf om de rest te volgen. De laatste restjes zonlicht die nog tussen de bergen en dalen langs de maanrand doorschijnen en zich manifesteren als de parels van Baily (parelsnoereffect) zijn geen bedreiging meer voor het netvlies.

Op het moment dat de totaliteit intreedt, en de hemel zo donker is dat planeten en heldere sterren, ja mogelijk zelfs vallende sterren, zichtbaar worden, krijgt men een schouwspel te zien dat alleen in superlatieven wordt verslagen. De fijne zonsatmosfeer vertoont zich als een zilverwitte corona, langs de rand van de zon lekken purperrode uitsteeksels, protuberansen. Het schort niet aan beschrijvingen. Na het `derde contact' gaat het in omgekeerde volgorde weer de andere kant op. Maar een waarschuwing is op haar plaats: het oog is inmiddels aan het duister geadapteerd en laat zich snel door extra licht overdonderen. De weg terug is minder mooi.