`Zonder kennis is historicus nergens'

Op het VWO bogen zich gisteren 17.019 leerlingen over het eindexamen geschiedenis. Vaardigheden werden er van hen gevraagd, maar zonder feiten is geschiedenis saai, vindt leraar H. de Mey.

De schilderes Marie de Roode-Heyermans beschouwde prostitutie rond de eeuwwisseling als een consequentie van de grote armoede in Nederland. Maar de opdracht aan de VWO-leerlingen om in haar schilderij `beeldelementen' te zoeken waaruit die opvatting bleek, was moeilijk omdat het schilderij in de druk ongelukkig was overgekomen. Stond daar op een stoel een hoge hoed (symbool voor kapitalisme, red.) van haar klant? Of een kartonnen doos? Een van de juiste antwoorden was dat de schoenen van de prostituee oud en afgetrapt waren. Maar dat was op de afbeelding niet te zien. Bovendien: waren het wel haar schoenen? Jammer, vond Hans de Mey (60), leraar geschiedenis op het Coornehert Lyceum te Haarlem. Op zichzelf is het goed om schilderijen te gebruiken bij een examen. ,,Maar dan moet wel zichtbaar zijn wat er op staat''.

Gisteren was zijn laatste examen, in januari 2000 gaat De Mey met pensioen. Zestig examens maakte hij mee, en veel veranderingen in het onderwijs. Voor de invoering van de Mammoetwet nam hij nog mondelinge examens af, in twintig minuten was het erop of eronder. Een tijdje waren er helemaal geen centrale examens voor het vak geschiedenis, het vak zou te `uniek' zijn om landelijk te toetsen.

De laatste jaren merkte De Mey dat in de examens steeds meer de nadruk kwam te liggen op `vaardigheden'. Leerlingen vergeten wat ze uit het hoofd leren toch weer, is de redenering. Je kunt ze beter leren hoe ze informatie moeten opzoeken. De Mey heeft zijn twijfels daarover. Hij is geen voorstander van het gedachtenloos in het hoofd stampen van jaartallen. Maar bij geschiedenis gaat het om het verhaal, en hoe breng je dat over zonder de feiten weer te geven? De Mey komt tot zijn verbazing ook vaak feitelijke fouten tegen in schoolboeken. ,,Met een beetje aanmoediging halen tweedeklassers ze er vaak al uit''. De Mey toont een cartoon uit 1903. De schrijvers van de examenbundel zien blijkens het onderschrift een geketende arbeider aan voor paus Leo XIII.

De examenonderwerpen zijn wel erg ver af komen te staan van de moderne tijd, vindt De Mey. Dit jaar was Europa en de buitenwereld (1150-1350) er één. Die keuze houdt verband met het belang dat de examenmakers hechten aan `vaardigheden'. Het gaat niet om wat je leert, maar om de methode.

Zo kwam het dat de leerlingen gisteren van de verovering van Constantinopel door de Kruisvaarders in 1204 een sprong maakten naar de stichting van de Vrije Universiteit in 1880 door Abraham Kuyper. Door een dergelijke fragmentarische benadering van de geschiedenis komt volgens De Mey de inleving in het verleden op de tocht te staan. De historische interesse is moeilijk levend te houden als tussen de onderwerpen zoveel eeuwen zitten.

Het examenonderwerp `Nederland 1880-1919: op het breukvlak van twee eeuwen', boeit De Mey meer dan de tijd van Marco Polo. Maar hij betreurt dat bij dit onderwerp onevenredig veel aandacht uitgaat naar sociale aspecten. Aan de vrouwenemancipatie en het gezinsleven werden in de examenbundel tientallen bladzijden besteed. Nederlands-Indië, de onwikkeling van het nationale besef in Nederland, de Eerste Wereldoorlog en militaire kwesties, bleven vrijwel onbesproken.

Wat De Mey betreft, hadden in het examen best meer kennisvragen mogen zitten. Met een levendige fantasie en associatief vermogen kwam je in dit examen al een heel eind. Op een cartoon van Albert Hahn staan een zielige magere vrouw en een dikke kapitalist. Hij bijt haar toe dat een dagje vrij om haar kind te begraven zijn zaak in gevaar brengt. Voor de vraag: `Waarom bevorderde dit type tekening de strijd van de socialisten, maar belemmerde het tegelijk de groei van hun aanhang?' was weinig kennis nodig. De cartoon zal voor veel arbeiders te extreem zijn geweest.

De Mey is nog een van de weinige leraren die aan de universiteit op zijn vakgebied is gepromoveerd. Om zich heen ziet hij dat didactische vaardigheden belangrijker worden gevonden dan kennis. Toen hij zei dat dit examen 25 uur studietijd zou vergen, keken leerlingen hem aan met een blik van `ik ben gekke Henkie niet'. ,,Ik weet dat veel leerlingen pas afgelopen zaterdag met de voorbereiding van dit examen zijn begonnen'', zegt hij. ,,Maar hoe slim je ook bent, zonder kennis kom je nergens.''