Westen is in Afrika blind voor de waarheid

Lezers boven een zekere leeftijd herinneren zich misschien nog de lange toespraken die de leiders van Oost-Europese communistische partijen vroeger hielden over de deugden van het socialisme. Geloofden zij echt wat ze zeiden, zo vroegen velen zich af, of was het slechts voor de buitenwacht bedoeld? En als ze het niet geloofden, wat bracht hen er dan toe hun clichés over arbeiders en boeren onderweg naar een betere toekomst te blijven herhalen? Leugens, halve waarheden en propaganda waren zo'n integraal onderdeel geworden van dit type staatsbestel dat lieden op hoge machtsposities geen keus hadden.

Deze beelden dringen zich op wanneer ik de toespraken beluister en documenten lees van de grote westerse instellingen die zich met Afrika bezighouden. Zij laten met regelmaat een retoriek weerklinken die in bijna even absurde mate van de werkelijkheid afwijkt als de 1 Mei-toespraken van Brezjnev.

De relatie tussen de rijke industrielanden als gevers en Afrika als ontvanger van ontwikkelingshulp ligt ten grondslag aan een stelsel van propaganda, struisvogelpolitiek en vage taal. Waarschijnlijk de belangrijkste instelling op dit gebied is de Wereldbank, die tegenwoordig voor de meeste Afrikaanse regeringen in hun officiële betrekkingen met de rijke wereld fungeert als financiële waakhond en tegelijk als voornaamste geldschieter. Alle belangrijke donorlanden richten zich naar de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), twee instellingen die ooit zijn opgericht om de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog te financieren. Net als de vroegere marxistische ideologen verkondigen vooral functionarissen van de Wereldbank een hulpprogramma dat, zo beweren zij, gebaseerd is op solide wetenschappelijke beginselen en dus onvermijdelijk tot succes zal leiden. Daarom houdt de Wereldbank – en in haar kielzog ieder donorland van betekenis – staande dat Afrika bezig is zijn fundamentele problemen geleidelijk op te lossen door middel van democratisering en vrijhandel, ondanks aanwijzingen dat het tegendeel waar is.

De invloed die in Afrika wordt uitgeoefend door financiële hulpinstanties, in het bijzonder door de Wereldbank en het IMF, is enorm. Bijna elke Afrikaanse regering moet op zijn minst doen alsof ze het door hen aanbevolen beleid uitvoert, als ze ooit nog ergens geld wil kunnen lenen. Zolang de hulpverstrekkers volhouden dat hun beleid tot het gewenste resultaat zal leiden, hebben regeringen in Afrika er dus belang bij deze leuzen na te praten teneinde nieuwe leningen te kunnen afsluiten. Wat Afrikaanse regeringsleiders écht denken, en wat ze echt doen, is een geheel andere kwestie. Hierdoor is een zekere dubbelhartigheid ontstaan in alle betrekkingen tussen donorlanden en Afrikaanse regeringen. En zo zijn westerse functionarissen en politici verstrikt geraakt in een evengroot web van onwaarheden als hun vroegere collega's in Oost-Europa.

Veel Afrikaanse staten functioneren eigenlijk nauwelijks nog als bestuurlijke lichamen. Hun voornaamste praktische doel is het optrekken van een façade die hun soevereiniteitsaanspraken rechtvaardigt. Veel officiële economieën, of ze het nu goed doen of niet, worden overschaduwd door onofficiële of zelfs criminele economieën. Zo valt het officiële bruto nationaal product van Nigeria, 31 miljard dollar, volstrekt in het niet bij de onofficiële of zelfs criminele economie, waaronder inkomens uit fraude van tenminste 20 à 26 miljard dollar per jaar. Nigeriaanse drugsbendes hebben inmiddels een niet onaanzienlijk deel van de mondiale drugshandel in handen, die met een geschatte omzet van tussen de 100 en 500 miljard dollar per jaar tot 's werelds grootste bedrijfssectoren hoort.

Democratie en vrijhandel hebben in Afrika inderdaad grote veranderingen teweeggebracht, waardoor de toestand hier en daar wel iets is verbeterd. Tegelijkertijd echter verkeren grote delen van Afrika op dit ogenblik in oorlog of, vaker, in situaties die geen oorlog en geen vrede mogen heten, maar waar het geweld welig tiert. Geweld vormt samen met een endemische onoprechtheid in financiële aangelegenheden en internationale betrekkingen een bij uitstek giftig mengsel. De grote conflicten die er heersen, zijn niet alleen van belang vanwege het leed dat ze veroorzaken, maar ook omdat ze nieuwe betrekkingen tot stand brengen, onder de ogen van wie het zien wil, tussen elites die de macht in handen hebben en rijkdom weten te vergaren, en de bevolkingen waarover zij heersen.

Dat westerse beleidsmakers en anderen die zich met Afrika bezighouden er de voorkeur aan geven clichés na te praten ondanks de zeer ruime vrijheid van meningsuiting die ze in eigen land genieten, heeft ingewikkelde oorzaken. Westerlingen wonen in samenlevingen waar beleidsmakers en -uitvoerders geneigd zijn economische groeicijfers als de enige serieuze maatstaf voor menselijke vooruitgang te beschouwen. Politici staan onder grote druk om op korte termijn te denken. De ontwikkelingsindustrie heeft er weinig belang bij om te veranderen. De media (waar de scheidslijnen tussen informatie en amusement steeds verder vervagen) zetten deze tendenzen om in politieke druk.

Ook van invloed zijn de veranderingen in de sociale wetenschap, waar men steeds schoolser wordt, geobsedeerd door muggenzifterij, strevend naar de goedkeuring van hun vakgenoten en eerder bezig met het produceren van aantallen afgestudeerden dan met diep nadenken. Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn de intellectuele kaarten waarop we onze koers uitzetten verouderd geraakt. Ze zijn nog niet vervangen door bruikbare gidsen voor een ingrijpend veranderde wereld.

Aangezien Afrika voor Noord-Europa het minst belangrijke werelddeel is, gemeten naar maatstaven van economisch en strategisch belang, worden we hier nauwelijks gestimuleerd tot serieus nadenken over wat zich daar afspeelt. Bovendien zien veel Europeanen Afrika van oudsher als een blanco gebied waarop ze hun eigen ambities en fantasieën kunnen projecteren, hun edelste bedoelingen maar ook hun laagste eigenbelang. De reclame die humanitaire instellingen maken versterkt die neiging alleen nog maar.

Tovermiddelen waarmee westerse landen de toestand in Afrika kunnen verbeteren, bestaan niet. Maar één ding is zeker: verstandig en doelmatig beleid kan niet gebaseerd zijn op fantasieën of onze eigen half-geloofde propaganda. Het eerste vereiste is dat we de dingen bij hun naam noemen.

Dr. Stephen Ellis is verbonden aan het Afrika-Studiecentrum te Leiden.