Veteraan in hoofdrol van eigen script

Hans Wiegel is op zijn 57ste al omstreeks een kwart eeuw veteraan-politicus. Hij is een man die als weinig anderen de waarde van het theater in de politiek kent en (heeft) gebruikt. Wat dat betreft had hij het script en de regie-aanwijzingen voor gisteravond en afgelopen nacht heel goed zelf kunnen schrijven. Hij was trouwens bij het begin van de voorstelling ook de enige die wist dat de hoofdrol uiteindelijk voor hemzelf zou zijn.

De statige en plechtig-sfeervolle Eerste Kamer vormde het passende decor. Het kroonjuweel van D66, een achter hoge kwantitatieve barrières vrijwel tandeloos gemaakt correctief referendum een passend thema. De eventuele verandering van de Grondwet, de nerveuze stemming bij paars, de geagiteerde journalisten. En ook nog de onbetwistbaar principiële lading van het debat, zowel wat de inhoud van de voorstellen als de plaats van de Eerste Kamer jegens de beroepspolitici van de Tweede betreft. Allemaal in orde.

Wijlen VVD-senator Harm van Riel, iemand die Wiegel tot zijn grote politieke opvoeders rekent, zou er gisteren ook van hebben genoten. Wie de ook fysiek zwaarder geworden Wiegel ziet lopen en optreden en hem de hand op de rug ziet leggen als er iets spannends komt, moet trouwens wel aan Van Riel denken. Wie let op zijn ogenspel en hem zijn forse sigaar tussen de getuite lippen ziet duwen, ziet ook Van Riel staan.

Wat beweegt Wiegel, en zou hij het antwoord op die vraag zelf wel helemaal weten? Hij is in 1941 geboren als zoon van een Amsterdamse meubelmaker die na de oorlog een redelijk geslaagd zakenman werd en daarmee tevens een voorbeeld van een `gewone' en geslaagde emancipatie. Wiegel bezocht het Barlaeus-gymnasium en studeerde daarna politicologie tot en met het kandidaatsexamen aan de Universiteit van Amsterdam.

Maar toen, in de vroege jaren zestig, kreeg de `echte' politiek hem al te pakken. Of, misschien juister gezegd, toen begon de politiek hem gaandeweg te bevrijden van de verplichting dikke boeken te lezen en de wereld van de voetnoten en het jargon van de politicologen tot de zijne te maken. Want, dat is zo gebleven, Wiegel is geen liefhebber van dikke boeken of een langlopende strategische planning, maar een instinctief politicus.

Wat zijn vermogen om zich snel, zonodig en detail, in zaken te verdiepen en politiek naar waarde te schatten nooit heeft beperkt. Als twintigjarig lid van de liberale jongerenclub JOVD schreef hij (in het JOVD-blad `Driemaster') al een gedegen verhandeling tegen het verzuilde Nederlandse omroepstelsel. Als zeer jong lid van de Tweede Kamer, dat werd hij in 1967 als 26-jarige (nadat oud-minister A.H. Korthals, vader van de huidige minister van Justitie, zijn aanvankelijke twijfels had weggepraat), dook hij in de destijds politiek belangrijke kring van volkshuisvestingsspecialisten. En moest daar toenmalige kanonnen als Van den Doel (PvdA), Aantjes (ARP) en Andriessen (KVP) te lijf gaan in gevechten over cijfers en productieplannen. Later zou hij ook nog bestuurlijke en staatkundige kwesties tot zijn persoonlijke politieke hobby's gaan rekenen, zoals gisteravond weer bleek.

Wat bleek na zijn parlementaire debuut in 1967? De jonge Wiegel had een ongewoon goede performance en was als debater een volstrekte nieuwigheid in de vrij deftige VVD, die derien á veertien Kamerzetels voor liberaal Nederland destijds nog als een min of meer natuurlijke verkiezingsuitslag zag. In 1971 was het zover, hij werd, net dertig, fractieleider en ook het gezicht van de nieuwe VVD. Want, werd er bij andere partijen toendertijd wel smalend over ,,de kraamkamer'' van de VVD gesproken als Wiegel met, en soms ook tegen, partijzwaargewichten zijn koers uitstippelde, zijn gezag en zijn populariteit als enigszins `volkse' electorale locomotief in het ontzuilende Nederland waren snel gevestigd. Op een plek halverwege het VVD-monument Oud en de moderne volkstribuun en met `doe maar gewoon' als verbindend motto.

Wat bleek nog meer? De PvdA en andere linkse partijen bedachten de ene na de andere krijgslist (bijvoorbeeld op politieke tweedeling gerichte staatkundige vernieuwingsvoorstellen en `ononderhandelbare' verkiezingsprogramma's), om de grote confessionele partijen (KVP, ARP en CHU) klein te krijgen en hun ontzuilende kiezers over te nemen. Maar Nederland werd ook welvarender en die ontzuilde kiezers, met hun nieuwe economische belangen, staken niet over naar links maar naar rechts, waar Wiegel als antipool van Den Uyls PvdA stond te wachten. Wat hem in 1977 een recordscore van 28 Kamerzetels en uiteindelijk het vice-premierschap in het eerste kabinet-Van Agt (CDA/VVD) opleverde. De VVD was echt volkspartij geworden. In één klap had Wiegel een vriend voor het leven (Van Agt) gewonnen, en zijn voorkeur voor samenwerking met het CDA bevestigd gezien, wat niet betekende dat hij er op termijn niet graag nog de nodige confessionele kiezers bij zou willen hebben.

Wiegels opvolgers – zelf verdween hij als onverminderd populaire, net veertigjarige, in de vroege jaren tachtig als commissaris van de Koningin naar Friesland – zouden voor nieuwe records zorgen. Nijpels reikte in 1982 al naar 36 Kamerzetels, Bolkestein bezorgde de VVD er vorige zomer 38. Of die nieuwe records de jonge veteraan Wiegel nu zó goed bevielen is een vraag. Maar geen vraag is dat hij zijn bedenkingen had tegen de vaak nogal libertaire koers van Nijpels (en diens progressiviteit op immaterieel gebied) en tegen de paarse coalitie (met de PvdA) waaraan Bolkestein de VVD liet en laat deelnemen. In dat opzicht nam Wiegel gisteravond misschien ook wel enigszins wraak op een hem ongewenst type coalitie. En op haar paarse referendumproduct.