Van limonade naar aquavit

De grote expositie `Eskimoland', die tot 2000 in het Haagse Museon loopt, dankt haar naam aan het boek dat Niko Tinbergen over zijn Groenlandse avonturen schreef. De huidentent, de kajak, de `tupilaks' (gesneden beeldjes van duivelse wezens) en andere voorwerpen die hij ter plekke verzamelde, staan nu in de zalen en vitrines van het museum opgesteld.

Niet voor het eerst overigens; zij waren eerder, in 1971, te zien op een tentoonstelling in het Leids Volkenkundig Museum. Die werd georganiseerd door de betreurde Gert Nooter, die zich vele malen begroef in het dorpje Tiderida, bij het grotere Ammassalik, aan de Groenlandse oostkust. Voorwerpen, die hij in de jaren zestig en zeventig verzamelde, zijn eveneens in Den Haag te zien.

Hier beperk ik mij tot Tinbergen. Wat deze later beroemd geworden etholoog op Groenland zocht, was de grauwe franjepoot. Toen het `Odins haantje', zoals hij in het Duits en IJslands genoemd wordt, was uitgebaltst en uitgebroed, vertrok het naar zuidelijker streken. Daarna had de bioloog alle tijd om het gedrag van de Groenlanders nader te bestuderen.

Zo leerde hij van een jager hoe je een slapende zeehond moet besluipen. Ligt die op het ijs naast zijn ademgat, dan opent hij zijn ogen om de minuut. Met geheven kop speurt hij de omgeving af. Ontdekt hij iets wat er eerder niet was, dan houdt hij de blik strak op het nieuwe object gericht. Een jager, die op dat moment geen vin meer verroert, verspeelt daarmee de kans voor een zeehond aangezien te worden. Hij moet juist zijn hoofd een beetje oprichten, een beetje om zich heen zien, wat met zijn benen bewegen en bij zijn schouder een wuifhandje laten verschijnen. Zo blijft de mogelijkheid bestaan om in de volgende minuut weer een stukje verder te kruipen. Een betere methode is natuurlijk om met een geweer, een slee en een wit schermpje naar het prooidier te glijden, maar dat is ethologisch gezien natuurlijk minder interessant.

De Inuit konden aanvankelijk hun verbazing niet op over het gedrag van de vreemdeling. Wie ging nu dagen achtereen in het gras bij een moerassig poeltje liggen om naar franjepoten te kijken? Die beesten waren immers oneetbaar! Bovendien wisten de muskieten wel raad met al dat goed doorbloede mensenvlees. Na de winter, toen Tinbergen omeletten bakte van Noordse sterneieren en de culinaire waarde leerde kennen van jonge malse zeekoeten, begreep men hem beter.

Bij het afscheid trakteerde Tinbergen zijn gastheren op dertien emmers limonade. Die verdwenen snel in vele dorstige kelen. Bier en sterke drank waren destijds slechts voor de Denen bestemd.

Dat is inmiddels wel veranderd. De directe omgeving van Ammassalik is bezaaid met bierblikjes en aan scherven gegooide flessen aquavit. Zeker in het weekend wordt er in de haven en op grazige plekjes langs de rivier stevig gedronken. Soms, als je met de boot binnenkomt, is er aan de kant niemand in staat om een tros vast te maken.

,,Drank speelt op Groenland een overmatig belangrijke rol'', zei Nooter eens in een interview dat ik hem voor deze krant afnam. Hij vertelde over jagers in `zijn' dorp die regelmatig dronken en dan zeer gewelddadig werden. En aangezien men nu over geweren en buitenboordmotoren beschikt, kunnen de gevolgen rampzalig zijn. Enerzijds schreef Nooter de diep reikende drankzucht toe aan imitatie van het Deense voorbeeld, anderzijds noemde hij onvrede en culturele ontwrichting als oorzaken.

Te weinig werk en te veel kinderen, dat zijn twee andere problemen die Groenland teisteren. In feite is dit continent, dat 52 maal groter is dan Denemarken en 55.000 inwoners telt, overbevolkt. Dat een deel van de bevolking in de jaren '20 duizend kilometer verder naar het noorden trok, naar Scoresbysund, heeft de problemen niet echt opgelost.

Maar het blijven fascinerende plekken, vooral buiten de korte zomer, wanneer de sneeuw alle rotzooi bedekt, en de nederzettingen als kleurige sprookjesdorpen voor het oog van de reiziger opdoemen.