De crisis die niemand heeft gewild

Na een moeizame start leek Paars-II redelijk op koers te liggen, en dan is daar de crisis over het referendum. Wie heeft daarbij iets te winnen?

De crisis over het referendum is er een die niemand wilde. Voor alle drie de paarse partijen geldt dat zij een breuk niet hebben gezocht. De crisis overkwam hun.

De crisis komt ook op een vreemd moment. Paars-II had een moeizame start, maar juist de afgelopen maanden bereikte de coalitie overeenstemming over een aantal gewichtige zaken. In Brussel haalde het kabinet, tegen de verwachting in, extra geld binnen. De begroting voor volgend jaar werd dit voorjaar, ondanks enkele noodzakelijke bezuinigingen, uitzonderlijk snel geregeld. Nog begin deze maand besloot het kabinet tot een belastingherziening die voor burgers tot een belangrijke verlaging van de tarieven moet leiden.

Waar kwam de crisis dan vandaan? D66 was de partij die dreigde met een crisis over het referendum. Maar de partij was niet uit op een breuk. Toen politiek leider Thom de Graaf vorige week de steun van álle VVD-senatoren voor de grondwetswijziging eiste, had hij serieus de bedoeling instemming af te dwingen. Bij de kabinetsformatie van vorig jaar gold het referendum als een punt van `eminent belang' waarover de Democraten sluitende afspraken eisten. De partij zag het compromis over het correctief referendum, dat in de praktijk een beperkte reikwijdte heeft, nog altijd als een van haar `kroonjuwelen'.

De VVD-top zocht geen crisis, maar zag zich geconfronteerd met dwarsliggende senatoren. De liberalen hadden zich bij de formatie weliswaar gecommitteerd aan het referendum, maar destijds al had Frits Bolkestein, toen nog partijleider, gewaarschuwd dat hij zijn senatoren ,,niet aan een touwtje'' had. En ook politiek leider Hans Dijkstal, nota bene als minister van Binnenlandse Zaken in het vorige kabinet de indiener van de grondwetsherziening voor invoering van het referendum, bleek één senator niet te kunnen dwingen.

Een deel van de VVD ziet het correctief referendum als strijdig met het stelsel van de representatieve democratie. In het verkiezingsprogramma van 1994 wees de partij het referendum nog af. Wel kwam het, onder druk van D66, terecht in het regeerakkoord van Paars-I in '94. Bij de behandeling in de Eerste Kamer in eerste lezing, maart 1998, stemden slechts vijf VVD'ers tegen, onder wie oud-leider Wiegel. Toch was de kring van bezwaarden toen nog aanmerkelijk groter. In het VVD-verkiezingsprogramma van vorig jaar werd het correctief referendum met de stem van een krappe meerderheid wél opgenomen.

De Partij van de Arbeid zocht de crisis al helemaal niet. De PvdA is een minder gepassioneerd voorstander van referenda dan D66. Maar de partij heeft de kleinste coalitiepartner van meet af aan gesteund in haar streven deze vorm van volksraadpleging in te voeren. Premier Kok en minister Peper namen direct na de verkiezingen voor de Provinciale Staten, afgelopen maart, het initiatief het voorstel nog vóór de verkiezing van een nieuwe Eerste Kamer in tweede lezing in de senaat te laten behandelen. De uitslag van die verkiezingen betekende dat na verkiezing van de nieuwe Eerste Kamer, eind mei, voor het referendumvoorstel sowieso geen tweederde meerderheid meer zou bestaan.

De coalitiepartners wilden het niet, maar het gebeurde toch. Hoe pakt de crisis uit voor elk van

de paarse partijen? Voor D66 doemt een rol in de oppositie. Het referendum is verworpen en daarmee is voortzetting van Paars een onwaarschijnlijke figuur. Bij iedere formatie met de liberalen kan moeilijk nog een harde afspraak over het referendum worden gemaakt. Voor D66 gloort ook meer vrijheid. De partij voelde zich gaandeweg bekneld in de coalitie. Het zag VVD en PvdA steeds vaker samen afspraken maken, buiten D66 om. Voor de democraten is het – met CDA en GroenLinks – dringen in de oppositiebanken. De Graaf zei eerder dit jaar overigens dat hij op termijn samenwerking met GroenLinks en CDA denkbaar achtte.

Voor de VVD pakt de crisis om verschillende redenen slecht uit. Het optreden van Wiegel heeft de betrouwbaarheid van de partij als coalitiepartner in het geding gebracht. Het referendum is een slecht onderwerp voor verkiezingen. Het gezag van partijleider Dijkstal is aangetast. In de ontstane situatie kan een richtingenstrijd ontstaan tussen vooruitstrevenden (Dijkstal) die paarse samenwerking aanhangen, en conservatieven (Wiegel) die altijd voorstander waren van samenwerking met het CDA.

Tegelijk verkeert de VVD in een ongemakkelijke minderheidspositie. Ze staat nu in de Kamer tegenover een blok van min of meer linkse partijen, een positie die na nieuwe verkiezingen gemakkelijk tot een isolement kan leiden.

De Partij van de Arbeid heeft nog de gemakkelijkste positie. De partij had part noch deel aan deze crisis en kan niet worden betrokken bij de schuldvraag. Die gaat tussen VVD en D66. Wel zitten er ook voor de PvdA ongemakkelijke kanten aan de ontstane situatie. De partij wist D66 er vorig jaar toe te bewegen om – ondanks haar verlies – toch mee te regeren en ziet in de sociaal-liberalen vaak een bondgenoot. Doorgaan in een coalitie met alleen de VVD heeft voor de PvdA onaantrekkelijke kanten. Zij moet dan in één coalitie samenwerken met de oude `erfvijand'. Traditionele sociaal-democraten hebben daar grote moeite mee. Bovendien zal er in de PvdA, na het afhaken van D66, snel een roep om verkiezingen klinken.

Als gevolg van de crisis zitten de regeringspartijen in een lastig parket, maar ook voor de oppositie is de nieuwe situatie lastig. Voor het CDA komt de crisis te vroeg. De partij is nog volop bezig de nieuwe denkrichting uit te werken die in het verkiezingsprogramma werd ingezet. Na de personele carrousel bij de vorige verkiezingen heeft de fractie nog onvoldoende `nieuwe gezichten' kunnen opkweken. Ook voor GroenLinks komt de crisis op een verkeerd moment. De partij worstelt nog volop met de steun aan de oorlog in Kosovo, die vooral ook intern veel zorg en aandacht vergt.

Zo is de crisis over het referendum voor alle partijen een ontijdige crisis.