Crises sinds 1945

Nederland heeft na de Tweede Wereldoorlog 23 kabinetten gehad. Daarvan zaten er zeven een volledige termijn uit. Vijf kabinetten dienden enkel om de periode tussen de val van een kabinet en verkiezingen te overbruggen. De eerste twee kabinetten na de oorlog dienden om staatsrechtelijke reden maar kort. Het kabinet-Schermerhorn/Drees moest de eerste verkiezingen na de oorlog voorbereiden, het tweede kabinet, Beel-I, trad af om wijziging van de grondwet mogelijk te maken.

Tien kabinetten vielen voortijdig. De eerste keer gebeurde dat in 1951 bij het kabinet-Drees/Van Schaik (PvdA, VVD, KVP en CHU). Dat struikelde over de VVD-fractie die het vertrouwen in het kabinet opzegde, waarna VVD-minister Stikker (Buitenlandse Zaken) aftrad en in zijn kielzog het kabinet meesleepte. In 1958 viel Drees-III (PvdA, KVP, CHU, ARP) over een door de Tweede Kamer aangenomen amendement op een belastingwet. In 1965 struikelde het kabinet-Marijnen (KVP, VVD, ARP, CHU), omdat het verdeeld was over de omroep.

Het kabinet-Cals (KVP, PvdA, VVD, ARP) viel in 1966 over een motie van KVP-leider Schmelzer over het financieel-economisch beleid. In 1972 viel het kabinet Biesheuvel-I (ARP, VVD, KVP, CHU, DS70), omdat bewindslieden van DS70 niet konden instemmen met de bezuinigingsplannen. In het kabinet-Den Uyl (PvdA, D66, KVP, ARP, PPR) botsten KVP en PvdA in 1977 zó stevig over de grondpolitiek, dat het kabinet aftrad. In het kabinet Van Agt-II (CDA, PvdA, D66) struikelde in mei 1982, negen maanden na de start, over onenigheid over de Voorjaarsnota. In 1989, viel het kabinet Lubbers-II (CDA, VVD) na problemen van de VVD met het reiskostenforfait dat onderdeel uitmaakte van het milieubeleidsplan van VVD-minister Nijpels.

Nooit haalde een kabinet van eenzelfde politieke signatuur ongeschonden het einde van de tweede zittingsperiode. Dit lot treft nu mogelijk ook Kok-II.